woensdag 14 november 2012

van een flessehals en een bottelaar

Bier kent drie stadia, en daarom kent de beschrijving van de geschiedenis van het bier ook drie verschillende onderdelen. Stadium 1 is de productie, de geschiedenis van de producent; welke brouwerijen waren er, en wat is hun geschiedenis? Echter, een brouwer kan produceren wat hij wil, maar als hij zijn bier niet verkoopt, dan is alles voor niets geweest. Stadium 2 is dus de bierhandel. Zonder handel komt het bier niet bij de consument terecht en wordt het niet gedronken. Een zeer wezenlijk aspect dus. De handel in bier is in sommige opzichten nog een onontgonnen gebied. Stadium 3 is het drinken, de consument, de liefhebber. Naast de geschiedenis van de brouwerijen zal ik dus van tijd tot tijd ook aandacht besteden aan deze twee andere onderwerpen. Om te beginnen het antwoord op een praktijkvraag…

In Haarlem worden in de laatste jaren steeds meer ondergrondse vuilcontainers geplaatst. Vuilcontainers, maar ook verzamelbakken voor oud papier en glas gaan steeds vaker ondergronds. Afhankelijk van waar deze containers geplaatst worden kan een archeologisch onderzoek plaats vinden. Doorgaans zal dit soort onderzoek alleen in het oude stadscentrum van Haarlem gedaan worden. Zo ook aan het Spaarne, bij de Sleutelstraat. Bij het onderzoek kwam een gedeelte van een bierfles –een beugelfles– tevoorschijn, met daarop de naam “J. Rooze bierhandel Haarlem”. Een onderzoeker stelde de vraag of er meer bekend was over deze bierhandel. Een onderzoek op internet en bij het handelsregister had geen resultaat opgeleverd. Eerlijk gezegd kende ik deze naam ook niet. Een beknopt onderzoek in de Haarlemse adresboeken vanaf 1895 leverde ook niets op. Wel een W.C. Rooze, die tapper aan de Patiëntiestraat was; de enige J. Rooze die ik vond was groentehandelaar, óók aan de Patiëntiestraat 18. Had ik daarmee de bierhandelaar gevonden? Het resultaat bevredigde mij eerlijk gezegd niet.
Gelukkig zijn steeds meer kranten digitaal beschikbaar, en dat is juist voor het onderzoek naar de brouwnijverheid en bierhandel in de negentiende eeuw van groot belang. Was het zoeken naar allerlei sporen van kleine bedrijven vroeger een heel gedoe, tegenwoordig is met een min of meer slimme zoekactie in een van de krantenbanken soms verrassend resultaat te bereiken. In de digitale versie van het Haarlem’s Dagblad, aangeboden door het Noord-Hollands Archief (www.noord-hollandsarchief.nl, kiezen voor kranten), vond ik een tweetal verwijzingen naar de bierbottelarij van een J. Roose aan de Gedempte Voldersgracht te Haarlem. In de eerste advertentie (14 april 1884) prees Roose zich aan als “Bierhandel van binnen- en buitenlandsche bieren” aan de Gedempte Voldersgracht 39. Een veel waarschijnlijker kandidaat dan de tapper uit de Patiëntiestraat. Een tweede advertentie van 13 september 1884 meldt J. Rooze als adres waar bestellingen voor een elders in Haarlem gevestigde brandstoffenhandelaar geplaatst konden worden.

Een onderzoek in het Haarlemse bevolkingsregister leerde dat het hier gaat om Jacobus Roose, geboren te Haarlem op 30 oktober 1848, wever van beroep. Deze werd op 25 januari 1885 ingeschreven op het adres Voldersgracht 13, en van daar uitgeschreven op 26 juli 1886. Weliswaar een ander nummer dan uit de beide advertenties, waar huisnummer 39 werd opgegeven. Dat het hier wel om dezelfde persoon zal gaan blijkt uit het adresboek van Haarlem voor het jaar 1887, waarin J. Roose werd vermeld als bierhandelaar op het adres Voldersgracht 13 te Haarlem. Erg succesvol lijkt de bierhandel en bierbottelarij niet geweest te zijn. Na de vermelding uit het adresboek komt Roose nergens meer voor met dat beroep. Vermoedelijk is hij de bottelarij en handel begonnen op nummer 39, en heeft hij dit voortgezet op nummer 13. Uit de advertentie van april 1884 kan in elk geval geconcludeerd worden dat hij onder meer Engels bier verkocht van Bass & Co., en het bekende stout van Van Vollenhoven in Amsterdam. Wat ooit in de gevonden beugelfles heeft gezeten? Geen idee. We kunnen in elk geval concluderen dat deze in de periode 1884-1886 gevuld en geleegd zal zijn. Vervolgens is de fles bij het huisvuil terecht gekomen, en daarna gebruikt voor de ophoging van de Spaarnekade ter hoogte van de Sleutelstraat. Zo vergaat het eerzame bierflessen: geliefd, gebruikt en weggeworpen…

maandag 6 februari 2012

Alleen als-tie ijs- en ijskoud is!

Bier heeft de neiging om op vele plaatsen op te duiken en geconsumeerd te worden. Een fris pilsje of een wit biertje als zomerse dorstlesser op een zonnig terrasje. Bij de buitentemperatuur die tijdens het schrijven van deze blog in Nederland overheerst (volgens de weerpagina op dit moment -12 graden Celsius) een visioen waarvan we alleen maar kunnen dromen. Koel bier. Ooit was bier van de Haarlemse firma De Haan en Raven wellicht te rekenen tot het koudste bier op aarde…


De brouwerij was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw ontstaan als de Firma Van Lommel en Vogelpoel, maar blijkbaar was dat voor de firmanten geen succes, want het bedrijf werd overgedaan aan de verzekeringsagent Samuel Cornelis Raven, die er wel een cursus brouwen bij bedong. Per slot is verzekeren een heel ander vak dan het produceren van bier. Raven was een Haarlemse burger in redelijke doen, maar geen financieel gigant. Dat zal er toe geleid hebben dat hij een partner zocht voor zijn brouwerij, die inmiddels werkte onder de naam “de Witte Raaf”. Die partner vond hij in de zeer gefortuneerde Dr. Daniël de Haan. De Haan was ambteloos, maar wel actief in de plaatselijke politiek (hij was raadslid en wethouder van Haarlem), en zeer geïnteresseerd in wetenschap. Zo had hij zijn eigen scheikundig laboratorium in de tuin van zijn riante huis aan het Haarlemse Kenaupark, en was hij onder meer lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.

De brouwerij was aanvankelijk redelijk succesvol en werd verschillende keren uitgebreid. Hoe de arbeidsverdeling tussen de firmanten was blijft onduidelijk. Er is geen bedrijfsarchief overgeleverd, en we moeten het doen met de schaarse gegevens uit overheidsarchieven en andere bronnen. Was Raven de koopman, en De Haan de man met passie voor de techniek? In 1885 werd de vennootschap ontbonden en ging Raven blijkbaar van zijn geld leven, terwijl Daniël de Haan de brouwerij onder dezelfde naam voortzette, daarbij geholpen door zijn gelijknamige zoon. Hoewel de brouwerij juist in deze tijd nog sterk werd uitgebreid in verband met de verdergaande omschakeling op het brouwen van ondergistend bier, had het bedrijf zijn langste tijd gehad. In 1895 overleed De Haan, met achterlating van een negatief saldo op zijn nalatenschap. De erfgenamen waren daarom gedwongen de brouwerij te liquideren. Zoon Daniël de Haan werd directeur van Ringers chocoladefabriek, en de bedrijfspanden werden opgekocht en geschikt gemaakt voor de fabricage van zeep, in de N.V. de Haarlemsche Stoom Zeepfabriek “het Klaverblad”. Zodoende herinnert in Haarlem niets meer aan de brouwerij “de Witte Raaf”.

Maar, wat heeft dat alles nu te maken met ijskoud bier? Het brouwen van bier is een ding, het verkopen een ander. Wil je het door jou geproduceerde bier verkopen, dan moet je reclame maken, en soms zelfs stunten. Het zal De Haan geweest zijn die het contact heeft gelegd met de personen die betrokken waren bij de organisatie van een Nederlandse Poolexpeditie. Hij was immers geen onbekende in de wetenschappelijke wereld, en de in 1882-1883 georganiseerde expeditie was een wetenschappelijke onderneming. Van diverse kanten werd geld beschikbaar gesteld, onder meer door leden van het Koninklijk Huis. Maar ook particulieren en bedrijven stelden geld en goederen beschikbaar, in die laatste gevallen sponsoring met naamsvermelding. Zo ontving de organisatie twaalf blikken rolpens van de Amsterdamse firma J. H. Schreuder, en stelde de firma Ter Marsch uit Rotterdam maar liefst honderd blikken hoofdkaas beschikbaar. Om dit alles weg te werken werden door wijnhandelaren flessen champagne en moezelwijn geschonken, terwijl de Schiedamse firma Daniël Visser en Zoon maar liefst 320 liter “Beste Genever” beschikbaar stelde. De stad Haarlem mocht daarbij niet ontbreken, en zo stelde de firma De Haan en Raven vijf kisten bier ter beschikking. In elk geval tot dan toe het koudste Haarlemse bier ooit. IJs- en ijskoud…


Zie : Maurits Snellen, De Nederlandsche Pool-expeditie, 1882-1883, (Utrecht 1886), waarvan een digitale versie op internet te raadplegen is: http://objects.library.uu.nl/reader/index.php?obj=1874-9881&lan=en#page//93/22/63/93226316946650518051113944826708883706.jpg/mode/1up; Dr. D. de Haan te Haarlem was een van de intekenaren van dit verslag.

maandag 29 augustus 2011

De Vijfhoek, een Haarlemse brouwerij?

De meeste Haarlemmers zullen het niet vreemd vinden, een brouwerij van die naam. Immers, Haarlem kan bogen op een wijk van die naam (het zuidwestelijk gedeelte van de oude binnenstad, www.wijkradenhaarlem.nl/vyfhoekraaksdoelen), en binnen die wijk op een populair café met dezelfde naam (www.cafedevijfhoek.nl). Een brouwerij de Vijfhoek zullen ze dus ook in dat deel van de stad zoeken. Onmogelijk is dat niet, want het Fortuin en de W zijn twee van de Haarlemse brouwerijen die midden in de Vijfhoek gelegen hebben. De wijk ontleent zijn naam trouwens aan de vorm, een keurige vijfhoek. Maar toch, de naam Vijfhoek is voor een brouwerij niet specifiek Haarlems. En een brouwerij van die naam was evenmin in de huidige wijk van die naam gelegen. Tot nu toe vond ik vier brouwerijen met de naam Vijfhoek, twee in Haarlem, een aan de Oudegracht en een aan de Burgwal. Maar er was in zeventiende en achttiende eeuw ook een brouwerij de Vijfhoek actief in Enkhuizen, en tot in de negentiende eeuw ook nog een in Middelburg. De naam is dus minder exclusief dan Haarlemmers zouden denken.

De eerste Vijfhoek (Oudegracht)

Zoals gezegd kende Haarlem twee brouwerijen die met de naam Vijfhoek getooid waren. Niet tegelijk, want dat zou behoorlijk verwarrend zijn geweest. De ene was gelegen aan de Oudegracht, het gedeelte dat vroeger ook wel werd aangeduid met Smalle Gracht; het is het eerste stuk van de huidige Gedempte Oudegracht gerekend vanaf het Spaarne, en de brouwerij was gelegen in het deel dat begrensd wordt door de Essenstraat aan de oostkant en de De Witstraat aan de westkant. Lang hield deze brouwerij de naam niet, want hij komt ook voor als de Toll, de Dissel en ging uiteindelijk door onder de naam de Boog. Die brouwerij de Boog werd weer een azijnmakerij van dezelfde naam, die het onder beheer van de firma de Weduwe Herman Draveman zelfs tot in de twintigste eeuw uithield. Het bedrijf en daarmee de merknaam werd overgenomen door concurrent Haas Azijn, die nog tientallen jaren het merk Boog Azijn bleef voeren. Maar dat alles is een ander verhaal dat ik in een later stadium wel eens zal vertellen.

De tweede Vijfhoek (Burgwal)

Zoals inmiddels al duidelijk gaat het hier verder over de brouwerij de Vijfhoek die gelegen was aan de Burgwal, aan de oostzijde van het Spaarne. Ook deze brouwerij had aanvankelijk een andere naam. De ouderdom is vooralsnog niet vast te stellen. Bekend is dat er aan de Burgwal al aan het einde van de veertiende eeuw tenminste een brouwerij gelegen was. Het gaat te ver om te veronderstellen dat de Griffioen (de eerdere naam van de Vijfhoek) terug te voeren is tot die tijd. Zeker is dat de brouwerij onder de naam de Griffioen al dateert van begin van de zeventiende eeuw, en misschien nog iets vroeger. De eerste namen die we in combinatie met deze brouwerij vinden, zijn die van vader Barent Gerritss en zoon Gerrit Barentss. De eerste bezit een kwart, de tweede drie kwart, wat blijkt als Gerrit zijn aandeel in 1603 verkoopt aan Catrijn Dircxdr, weduwe van Willem Pieterss in leven secretaris van Amsterdam. Rond de eigendom van Gerrit Barentss en het feit of hij werkelijk de gehele tijd de brouwer van de Griffioen was zijn wel wat onduidelijkheden. In 1603 is hij namelijk vermeld als de brouwer in de Gecroonde Moutschop, een tot nu toe niet goed te plaatsen brouwerij. Gerrit komt voor als brouwer in de jaren 1602-1614 en 1620-1621, maar onduidelijk is in welke brouwerij. In 1608 werd Gerrit weer als eigenaar van de Griffioen genoemd, omdat hij zijn aandeel toen als onderpand gaf, voor een bedrag van 1200 gulden als borgstelling voor de Alkmaarse biersteker Gerrit Aernts Timmerman. In deze akte is duidelijk sprake van “zijne huijsinge, erve, brouwerie ende toebehoorten”, waaruit geconcludeerd kan worden dat hij er toen ook woonde en werkzaam was. Het verdwijnen van Gerrit Barentss uit de administratie van de brouwgelden na 1621 wijst er op dat hij in elk geval na dat jaar geen brouwer meer was. Dat de brouwerij gestaakt werd leren we weer uit een andere bron, het kohier van de verponding van 1628, waarin gemeld werd dat de brouwerij van Gerrit Baertentss “uijtgebroken” is en er geheel “desolaet” bij ligt. Dat wijst natuurlijk niet op veel activiteit. Op 1 november 1632 wordt de brouwerij nog een keer genoemd als belending bij een verkoop, en deze heet dan “de brouwerije geweest van ’t Griffioen”.

Merk van brouwerij de Vijfhoek (1647)

Kort daarop moet Jan Cornelissen in hetzelfde perceel opnieuw een brouwerij gestart zijn, want vanaf 1633 komt hij voor in de administratie van de brouwgelden. Zijn brouwerij wordt aangeduid met de naam Vijffhoeck. Dat het om hetzelfde perceel moet gaan blijkt uit een aantal akten. Zo koopt hij in 1633 drie vierde deel van de brouweij van de Griffioen, gekomen van Gerrit Barentss, waarvan het laatste vierde deel aan diens kinderen toe komt. En ook is bij de Vijfhoek in 1648 sprake van een loden goot die de vorige eigenaar Gerrit Barentss heeft laten leggen. En in 1668 werd gesproken van een vordering die sinds 15 oktober 1615 op het perceel rustte, in hoofdsom groot 800 gulden, tegen een rente van 5%. Deze was op het pand gevestigd in het testament van Barent Gerritss en Femmetje Harmens ten bate van hun kleinkinderen, en kon pas afgelost worden indien aan alle voorwaarden in het testament was voldaan. Jan Cornelissen komt met verschillende namen voor in de administratie van de brouwgelden. Soms met de naam Molenaer, soms met de naam Van Meeckelen, en soms met de naam De Jongh, een naam die later door zijn kinderen gevoerd blijkt te zijn. De naam Van Meeckelen identificeert hem als lid van een familie van Haarlemse brouwers van het “tweede plan”. Niet de brouwers die behoorden tot het Haarlemse stadsbestuur en daarmee tot de stedelijke elite, maar uit de gegoede burgerij.
Jan Cornelissen moet rond 1641 overleden zijn, omdat vanaf 1642 zijn weduwe Kniertje (of Cunera) Claes als brouwster vermeld wordt. Zij heeft in elk geval tot 1660 de brouwerij gedreven, in 1661 wordt deze nog wel genoemd, maar zonder naam van de brouwer. Mogelijk is Kniertje in 1660 overleden en hebben de erfgenamen het bedrijf in de loop van 1661 geliquideerd. Als zij in 1668 overgaan tot verkoop is ook geen sprake meer van een brouwerij, maar slechts van een mouterij. Deze zal het ook niet lang meer gemaakt hebben. Het laatste wat we van dit bedrijf horen is in 1687, als sprake is van het huis “van outs genaemt de brouwrije van de Vijffhoeck”. De locatie van de brouwerij is nog niet exact vastgesteld. Wel is het een en ander bekend uit transportakten. De ligging aan de Burgwal staat buiten kijf, maar uit de akte van 1687 weten we ook dat er een achteruitgang was aan de Hondesteeg. Verder bezat de brouwer ook een huis aan de Hagestraat. We moeten de brouwerij dus zoeken in de buurt van die straat en steeg. En dan komen we terecht aan de zuid westkant van de Burgwal. De Hondesteeg liep evenwijdig aan de Burgwal, van de Hagestraat in de richting van de Antoniestraat en is thans bekend onder de naam St. Antoniesteeg; blijkbaar vond men de naam van die steeg aan het begin van de twintigste eeuw niet aantrekkelijk genoeg.
Gevelsteen van de Enkhuizer Vijfhoek

De Vijfhoek in Enkhuizen en Middelburg, de oorsprong van de naam

Eerder sprak ik over de wijk de Vijfhoek. Maar daaruit werd al duidelijk dat dit niet de naamgever was van de Haarlemse brouwerijen. Gedacht zal moeten worden aan het pentagram, de vijfpuntige ster. Het pentagram is bekend als magisch symbool, wat me wel nieuwsgierig laat zijn naar het bier dat bij de brouwerijen van die naam geproduceerd werd. Uit de hierboven getoonde afbeelding uit de administratie van de brouwgelden blijkt dat dit symbool in elk geval gebruikt werd voor de brouwerij van Kniertje Claes. Ook de Enkhuizer brouwerij was getooid met het pentagram, wat blijkt uit de gevelsteen die nog steeds aanwezig is aan de Dijk in Enkhuizen. De brouwerij in Enkhuizen bestond in elk geval al in 1630; in 1765 was sprake van de gewezen brouwerij. Hoe oud de Middelburgse brouwerij is, dat is mij niet bekend. Zeker is dat het bedrijf in de jaren zestig van de negentiende eeuw nog werkzaam was. Of dit bedrijf als kenteken ook van het pentagram gebruik maakte weet ik niet.

Advertentie van de Middelburgse Vijfhoek 1859

donderdag 25 augustus 2011

1824: een nieuwe brouwerij in Alkmaar?

Voor de bestudering van de geschiedenis van de brouwnijverheid in de negentiende eeuw komen verschillende bronnen in aanmerking. Een van de archieven waaruit interessant materiaal gehaald kan worden is het archief van de provincie. Zeker in de periode 1814-1849 was de provincie een belangrijke schakel in het bestuur van het koninkrijk. De gouverneur (thans commissaris der koningin genoemd) werd wel ‘de spion van zijne majesteit’ genoemd, en hij fungeerde dan ook als een belangrijke informatiebron voor ‘Den Haag’. Naast de gouverneur speelden ook Gedeputeerde Staten een belangrijke rol. De onbelangrijkste rol was weggelegd voor de Provinciale Staten; zij vergaderden slechts enkele dagen per jaar en hielden zich voornamelijk bezig met het verlenen van subsidies, en het accorderen van de provinciale begroting en rekening. Welke soort gegevens in het archief van Gedeputeerde Staten zijn te vinden, laat het volgende verhaal zien: het voornemen tot het stichten van een nieuwe brouwerij in de stad Alkmaar.

De aanloop
Het verhaal begint met een verzoekschrift van Hermanus Bergwever en Johannes de Veer uit Alkmaar om in het door hen gekochte pand aan de Bierkade te Alkmaar (wijk C no. 13) een nieuwe brouwerij te mogen stichten, welk verzoek door Gedeputeerde Staten op 9 november 1824 om advies aan burgemeester en wethouders van Alkmaar werd gezonden. Volgens het koninklijk besluit van 31 januari 1834 (staatsblad no. 19) was voor de stichting van een dergelijk bedrijf de toestemming van Gedeputeerde Staten nodig. Burgemeester en wethouders van Alkmaar hebben op verzoek van G.S. de zaak onderzocht en zijn bijzonder gelukkig met dit initiatief. Immers, het bevordert de werkgelegenheid en de nijverheid binnen hun gemeente. En dat is hard nodig, want zoals zij aangeven: “Het spreekt toch van zelve, dat na het zien te niet gaan, nog in onzen leeftijd van onderscheidene Fabrieken van dien aart, het aan ons niet dan zeer aangenaam kan zijn, pogingen te zien in het werk gesteld, om dezelve weder te doen herleven, en het vertier en welvaren der Stad daardoor te zien bevorderd.” Met andere woorden, de gemeente is helemaal tevreden met dit initiatief. Maar ja, het probleem is dat er ook buren zijn, en die hebben inspraak, ook al in 1824. En de gemeente vat dit niet licht op en nodigt daarom de beide buren uit om hun mening over het verzoekschrift te geven.
De ene buurman –Dirk Brouwer– heeft geen enkel bezwaar tegen de stichting, zoals door de gemeente wordt meegedeeld, hij heeft er niet alleen geen bezwaar tegen, maar zegt “zelfs gaarne te zullen zien dat hetzelve wierdt geaccordeert.” Beter dan dat kunnen de initiatiefnemers en de gemeente zich niet wensen. Buurman Brouwer wil de brouwerij zelfs graag naast zich zien. Andries Klasing, de andere buurman is van geheel andere mening. De gemeente is niet blij met zijn bezwaren, want zoals ze stellen, de “opgegevene redenen en zwarigheden niet zullen kunnen geacht worden eenigsints van dat belang te zijn, om uit dien hoofde de toestemming tot de oprigting van eene zoo belangrijke Fabriek te weigeren”. Ze vinden de bezwaren namelijk zo algemeen dat als hier aan toegegeven moet worden er nergens in de gemeente een dergelijk bedrijf gesticht kan worden, dan alleen in het open veld. In onze tijd lijkt dit een geldig argument. De industrie uit het centrum van de stad, op speciaal daarvoor aangelegde terreinen. Maar voor negentiende eeuwse begrippen was dat volstrekt onacceptabel. Eeuwenlang waren fabrieken in de stad gevestigd geweest, en burgemeester en wethouders van Alkmaar anno 1824 zagen dan ook geen enkele noodzaak dat te gaan veranderen.
Wat waren nu eigenlijk de argumenten van buurman Klasing? Die worden duidelijk uit zijn bezwaarschrift dat op verzoek van het Alkmaarse gemeentebestuur door hem op schrift werden gesteld. Hij spreekt van de “Groote laste en onaangenaamhedens zo ook de gevare, die hem te wagten staan”. Het klinkt beslist omineus. Zijn eerste bezwaar geldt het feit dat een brouwerij en mouterij zowel bij dag als bij nacht gestookt zal worden. En dat zal beslist overlast geven aan zijn eigen bedrijf, dat bestaat uit een koffiekamer, een tapperij en een tabakskerverij. Verder vreest hij dat door de ligging van zijn panden, die onder de zuidwestelijke wind liggen, zijn regenwater bevuild zal worden, en dat zijn bleekveld schade op zal lopen. Met andere woorden, de normale windrichting zal de vervuiling van de brouwerij over zijn percelen zenden. En dat terwijl hij al vijfentwintig jaar ongehinderd en met goed gevolg zijn bedrijf heeft kunnen uitoefenen, met groot vertrouwen van vele, vaak zelfs welgestelde kooplieden. Hij vreest de totale ruïne, zowel ten nadele van hemzelf als van zijn talrijk huisgezin!
Gedeputeerde Staten vergadert…
De drie stukken, het verzoekschrift van Bergwever en De Veer, het gunstige rapport van de gemeente, en de bezwaren van Klasing, zijn vervolgens onderwerp van gesprek geweest in de vergadering van G.S. van 2 december 1824. Omdat de stukken niet eenduidig zijn wordt besloten de zaak in handen van een van de leden van G.S. te geven, de heer Huyghens, om nader onderzoek te doen en te rapporteren in de volgende vergadering. Blijkbaar geeft zijn rapport op 9 december aanleiding tot enige discussie in het college. Een deel van de tekst die daarvan is overgeleverd werd doorgehaald, en wel het deel dat handelde over het direct toestaan van het verzoekschrift tot stichting van een brouwerij. Mogelijk vond een deel van de leden dat de gemeente Alkmaar groot gelijk had, en was dat deel van mening dat het verzoek tot het stichten van een brouwerij op die plaats gewoon, en zonder zeuren moest worden toegestaan. Maar iemand zal op enig moment geconstateerd hebben dat niet voldaan was aan een belangrijk punt, vastgelegd in artikel 4 van het eerder genoemde besluit van zijne majesteit van 31 januari 1824: het vaststellen van een proces verbaal de commodo et incommodo. Wat zoveel betekent als een rapport waarin de voordelen en de nadelen tegen elkaar werden afgewogen. Er moet dus eerst een nader onderzoek plaats vinden, voordat G.S. een besluit zal nemen. Aan burgemeester en wethouders van Alkmaar werd dan ook een brief gezonden waarin werd meegedeeld dat eerst het genoemde proces verbaal moest worden opgesteld.
Commodo et incommodo
Het Alkmaarse gemeentebestuur was er blijkbaar veel aan gelegen om de zaak nog in het lopende jaar tot een goed einde te brengen, want het door G.S. gevraagde proces verbaal is gedateerd op 31 december 1824. En op dezelfde datum zond men het namelijk in aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, onder het uitspreken van de constatering dat “door deskundigen de meerdere of mindere gegrondheid der bezwaren van Klasing zijn beoordeeld geworden.” In het proces verbaal werd nog eens gememoreerd dat tijdens een vergadering van burgemeester en wethouders op 16 november de beide buren van het perceel waarin de brouwerij gesticht zou worden waren opgeroepen. Dirk Brouwer, veerschipper van Alkmaar op Amsterdam, wonende Bierkade, wijk C no. 12, had verklaard dat hij geen enkel bezwaar tegen de komst van een brouwerij had, en de stichting van deze nering zelfs toe te juichen. Wie weet zag hij de vaten bier om naar elders te transporteren al op zijn schuit rollen. Ook de eerder al genoemde bezwaren van Klasing, tapper wonende Bierkade, wijk C no. 14 werden opnieuw opgesomd. Om meer duidelijkheid over pro en contra te krijgen hadden B & W van Alkmaar Willem Hamer, stads architect, en Cornelis Verhoeven, metselaar, opdracht gegeven over de ingediende bezwaren te adviseren. In hun rapport van 31 december gaan zij punt voor punt op deze bezwaren in. Deze werden door hen gezien als drie afzonderlijke punten. Ten eerste het mogelijke gevaar en de mogelijke geluidsoverlast voor klanten en personeelsleden van het bedrijf van Klasing, door het dag en nacht stoken van de brouwerij, en het kuipen dat daarbij zou moeten plaats vinden. Het tweede bezwaar was dat van de eventuele vervuiling van het regenwater, en het derde bezwaar het niet meer bruikbaar zijn van het bleekveld bij het huis van Klasing.
Een gevaar van brand vinden zij geen groot risico. Immers, bij de wet van 2 augustus 1822 zijn allerlei voorzorgsmaatregelen rond brouwerijen verordonneerd, en de tegenwoordige inrichting van dit soort bedrijven en de surveillance geven voldoende waarborgen. Eerder vinden zij een groter brandgevaar in de door Klasing zelf in zijn huis en tapperij georganiseerde “liefhebberij Komedie (…) waarin het ontstaan van brand, niet zoo geheel vreemd is.” Los daarvan is uit onderzoek gebleken dat de geluidoverlast ook wel mee zal vallen, omdat de werkzaamheden die dat veroorzaken niet of nauwelijks gehoord zullen worden door gasten of personeelsleden van Klasing. Het tweede en derde bezwaar wordt in een keer afgehandeld. Ze hebben een aantal buren van de reeds lang bestaande brouwerij het Fortuin naar hun ervaringen gevraagd. Deze personen geven daarbij niet alleen hun mening, maar voorzien die verklaring ook van hun handtekening. Allereerst Geertje Meijer, weduwe van Hermanus van Tellingen, die verklaart al bijna dertig jaar lang met haar man op de hoek van de Oude Gracht, in het zogenaamde Ruitersteegje gewoond te hebben. Haar huis is direct achter de brouwerij het Fortuin gelegen, en nog nooit heeft zij enige hinder gehad, noch door de vervuiling van het regenwater, noch bij het bleken. Alleen was er wel eens wat overlast als de schoorsteen van de brouwerij gereinigd werd, maar dat werd altijd van te voren door de eigenaars aangekondigd. Jan Plas, meester timmerman, heeft met zijn overleden moeder ongeveer dertig jaar naast de brouwerij op de Oude Gracht gewoond, en hij kan zich niet herinneren dat zijn moeder ooit geklaagd heeft overlast gehad te hebben, niet over het regenwater, niet over het bleken. Tenslotte Gesina Duiven, weduwe van Pieter Vervooren, zij heeft eerst met haar man en later alleen meer dan vijfentwintig jaar in een huis aan de Oude Gracht gewoond, waarvan het erf grenst aan de brouwerij het Fortuin, en zij heeft “in al dien tijd geen het minste hinder of ongemak daar van” geleden. De door de gemeente gevraagde deskundigen verklaren dan ook dat aan de bezwaren van Klasing verder geen gewicht moet worden toegekend…
Gedeputeerde Staten vergadert opnieuw: eind goed, al goed?
De eerstvolgende vergadering van G.S. was op 6 januari 1825. Daar was de brief met proces verbaal van burgemeester en wethouders van Alkmaar onderwerp van gesprek. Geconstateerd werd dat geheel voldaan was aan alle regels, dat de bezwaren van Klasing van een dusdanige aard waren dat ze genegeerd konden worden. Zoals men vanuit Alkmaar al eerder had laten weten, als men toe zou geven aan dergelijke bezwaren, dan zou nooit meer een fabriek opgericht kunnen worden. Uit de formulering wordt duidelijk dat G.S. deze constatering van harte deelde. Besloten werd dan ook om gunstig te beschikken op het verzoekschrift van Hermanus Bergwever en Johannes de Veer om in het pand Bierkade, wijk C no. 13 te Alkmaar een bierbrouwerij te stichten. Wel onder de voorwaarde –zoals gesteld in artikel 6 van het eerder genoemde koninklijk besluit van 31 januari 1824– dat de buren van het bedrijf daarvan geen hinder zouden mogen hebben. Van dit besluit werd bericht gezonden aan burgemeester en wethouders van Alkmaar, aan de verzoekers Bergwever en De Veer, en aan buurman Klasing. Eind goed, al goed? Tsja, of buurman Klasing het met die constatering eens is geweest kunnen we vermoedelijk wel betwijfelen.
De moutmolen
Korte tijd later was de bierbrouwerij van Bergwever en De Veer weer onderwerp van gesprek. Aan de Koning hadden zij namelijk toestemming gevraagd om ten dienste van hun brouwerij een moutmolen op te mogen richten. Dit verzoek werd op 5 september 1825 door de Administrateur van het Binnenlandsch Bestuur om advies naar de provincie Noord-Holland gestuurd. Op 28 september 1825 gaf het gemeentebestuur van Alkmaar aan dat bij hen geen bezwaren waren binnengekomen tegen de oprichting van een dergelijke molen voor de brouwerij. Gedeputeerde Staten besloten daarom in hun vergadering van 29 september aan Den Haag te berichten dat “er van de zijde van het administratief beheer en der plaatselijke politie geene bedenkingen bestaan” tegen het oprichten van een moutmolen in deze bierbrouwerij. 
Bronnen: Provinciaal Bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nrs. 3196 en 3197 (2 en 9 december 1824, nrs. 2 en 22), 3198 en 3199 (6 januari 1825, no. 12), 3218 en 3219 (29 september 1825, nr. 36).

woensdag 24 augustus 2011

Rozijnbier? Een kwestie van onduidelijk formuleren…

Een bijproduct van de traditionele bierbrouwerijen was  bierazijn. In Haarlem waren zelfs diverse bierbrouwerijen die het product ook standaard produceerden toen het met de bierafzet steeds slechter ging. Een bedrijf als bierbrouwerij “de Boog” aan de Oudegracht in Haarlem wist als azijnfabriek tot in de twintigste eeuw te overleven, maar dan inmiddels met rozijnazijn en kunstazijn. Maar over “de Boog” gaat dit stukje niet. Het gaat over een verzoek van L. van Bredael Jr. (Rozengracht 84 te Amsterdam) om in Sloten een bedrijf te mogen starten.

Op 21 november 1850 verzocht hij aan Gedeputeerde Staten om in het gebouw “Arbeid en Uitspanning” aan de Maljapekade onder Sloten (wijk 5 nr. 410) “eene Rozijn Bierbrouwerij en Fabriek van Rozijn wijn op te richten”. In het rekest geeft hij aan dat hij daartoe nodig heeft een kuip van ongeveer 3 tot 4000 Nederlandse kan, een ketel van ongeveer 3 tot 400 kan, en een handmolen. De grondstof voor zijn fabricaat zal rozijn zijn. Het rekest werd in handen gesteld van het gemeentebestuur, dat contact opnam met de buurman van het perceel, de heer F. Heijdt, die verklaarde tegen de komst van het bedrijf geen bezwaar te hebben. Ook werd het gebouw nader onderzocht, en men kwam tot de conclusie dat het geschikt was om een dergelijke onderneming in onder te brengen. Het bleek dat er al een handmolen aanwezig was.

In de vergadering van 19 december 1850 was dit alles onderwerp van overleg. Gedeputeerde Staten verklaarden op zich geen bezwaar te hebben tegen de stichting van het bedrijf. Maar wel onder de voorwaarde dat door de verzoeker vooraf ook nog vergunning zou worden gevraag bij de Minister van Financiën, in verband met de voorschriften voor de belastingen op het “binnenlandsch Gedistilleerd”. Hoewel Van Bredael spreekt van een “bierbrouwerij” had hij blijkbaar een ander eindproduct op het oog. Azijn, of wellicht nog iets anders? Het is mij onduidelijk.
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 4074 (19 december 1850, nr. 20).

Bierbrouwersvaria betreffende Amsterdam

Hierna beschrijvingen van wat zaken rond Amsterdamse brouwerijen. Uit 1825 de stichting van een ros moutmolen voor de bierbrouwerij het Roodhart, uit 1826 het verzoek van John Binns om de bierbrouwerij van Jacques le Clerc, Baangracht / Korte Leidsedwarsstraat voort te mogen zetten, en tenslotte uit 1846 het verzoek van Beckman, de Veer & Cie om een bierbrouwerij te mogen stichten op de Baangracht, tussen de Spiegelgracht en de Weteringschans.  
De ros moutmolen voor brouwerij het Roodhart (1825) 
De directeur van de bierbrouwerij het Roodhart te Amsterdam, J.G. Schilt, had zich tot het Binnenlandsch Bestuur in Den Haag gewend om toestemming te krijgen in de brouwerij een ros moutmolen te installeren. Tegen de feitelijke installatie binnen de bestaande brouwerij was blijkbaar geen bezwaar, maar men wilde wel nader advies over de controle op het malen. Deze controle werd uitgeoefend door een rijksambtenaar. Op 7 mei 1825 werd het rekest van Schilt in handen gesteld van de provincie met het verzoek hierover van advies te dienen. Vanuit Haarlem werd een verzoek gericht aan het gemeentebestuur van Amsterdam, dat op 25 mei 1825 antwoord zond. Men zag geen bezwaar om aan het Roodhart te verlenen wat reeds aan anderen was verleend, want “dat bereids in meerdere Brouwerijen binnen deze Stad rosmolens aanwezig zijn”. Dat had aan “de peil & visitatiën welke door de Rijks Ambtenaren op deze Fabrieken word uitgeoeffend” geen schade opgeleverd. In de vergadering van 26 mei sloten Gedeputeerde Staten zich bij dit advies aan. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3208 en 3209 (26 mei 1825, nr. 32). 

De brouwerij Baangracht / Korte Leidsedwarsstraat (1826) 
Op 17 juli 1826 richtte John Binns zich tot Gedeputeerde Staten van Noord-Holland met het verzoek de concessie van Jacques le Clerc over te mogen nemen voor de exploitatie van diens brouwerij aan de Baangracht en de Korte Leidsedwarsstraat; hij gaf aan van plan te zijn hier “met het brouwen van Engelsche bieren een aanvang te maken”. Het verzoek werd in handen gesteld van het Amsterdamse gemeentebestuur om nader advies. Deze riepen voor 11 augustus de buren op om hun eventuele bezwaren kenbaar te maken. Het ging om de heer Lacheij aan de Baangracht, de heren P. Geijkema en N. van Coudom, en de heer M. Brouwer aan de Korte Leidsedwarsstraat. Alleen Brouwer kwam opdagen, de anderen lieten verstek gaan. Men had nog een tijdje gewacht, maar toen zeker was dat Brouwer de enige was, had men een en ander onderzocht. Het bleek dat Binns het bedrijf op de oude voet wilde voortzetten, zonder het te vergroten. Buurman Brouwer had daartegen geen enkel bezwaar. In hun advies van 17 augustus werd door burgemeester en wethouders weliswaar gezegd dat het onmogelijk was gebleken de mening van de andere buren te horen, maar dat zij meenden dat gezien het voornemen van de heer Binns om het bedrijf alleen voort te zetten en niet uit te breiden, er geen bezwaar was om de toestemming aan hem te verlenen.
In hun vergadering van 23 augustus 1826 besloten Gedeputeerde Staten de toestemming inderdaad te verlenen. Wel met enige tegenzin, omdat er eigenlijk geen voldoende autorisatie was. Immers, drie van de vier buren waren niet gehoord. Maar vermoedelijk zal men in dit geval maar uitgegaan zijn van het aloude “wie zwijgt, stemt toe”. Omdat het hier ging om “de voortzetting eener reeds geconcessioneerde fabriek” werd de toestemming verleend; in dit geval spreekt de onderstreping boekdelen. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3247 en 3248 (23 augustus 1826, nr. 5). 

De brouwerij van Beckman, de Veer & Comp. (1846) 
In 1846 werd door de firma Beckman, de Veer & Comp. aan de Kerkstraat 36, bij de Utrechtsestraat, aan de Gouverneur van Noord-Holland een verzoekschrift gestuurd waaruit blijkt dat zij een bedrijf wilden stichten ter “bereiding van twee Vreemde Biersoorten”. Zij hadden daarvoor een geschikt pand op het oog aan de Baangracht 75, bij de Weteringstraat. Conform de geldende regels werd aan het Amsterdamse gemeentebestuur gevraagd een onderzoek te doen. Op 27 januari 1846 werd een proces verbaal gemaakt van het verhoor van de buren; dat waren J. van Smirren, de weduwe Vrij van Aldenhoven, Hijneman, van Essen, ten Brink en Ankum. Behalve Ankum waren allen gekomen, en unaniem verklaarden zij zich tegen de vestiging in verband met het mogelijke brandgevaar, omdat het beoogde pand dicht bij een turf en houtaffaire gelegen was. Van Essen meende bovendien dat hij benadeeld zou worden in zijn schildersaffaire. Een brief van burgemeester en wethouders aan de Gouverneur gaf nog een nadere toelichting. Aan de bezwaren werd niet zo zwaar getild, omdat het hier niet ging om een gewone bierbrouwerij, maar een bedrijf dat op andere grondslagen rustte. In de brief werden suggesties gedaan voor het verlenen van de toestemming.
Gedeputeerde Staten vergaderden over dit verzoek op 12 februari 1846, en besloten conform het advies van het Amsterdamse gemeentebestuur de toestemming voor de oprichting te verlenen, en dit mee te delen aan burgemeester en wethouders met het verzoek het op hun beurt weer aan de verzoekers mee te delen. Er werden wel voorwaarden gesteld voor de inrichting van het gebouw. Allereerst moesten de te plaatsen fornuizen op een geheide fundering geplaatst worden, die tenminste 15 cm vrij van de muur en houtwerken zou moeten staan; uit de brief van burgemeester en wethouders wordt duidelijk dat op deze fornuizen twee ketels geplaatst zouen worden, elk met een inhoud van 500 kan. De tweede eis was dat de schoorsteen minstens twee meter boven de nok van het dak moest worden opgemetseld. De derde eis was dat de kachel tot verwarming van het perceel op een stenen vloer geplaatst zou worden. De vierde en laatste eis was dat in alle gevallen de stedelijke brandkeur gevolgd moest worden, en dat een en ander onder toezicht zou moeten staan van de stads rooimeesters. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3948 (12 februari 1846, nr. 39).

dinsdag 23 augustus 2011

Jonkheer Bicker wil een moutmolen...

Zo geformuleerd lijkt het misschien de wens van een verwend jongetje. Nu zal Bicker zich als telg uit een oud Amsterdams regentengeslacht ongetwijfeld zeer bewust zijn geweest van zijn persoon. Maar de wens om een moutmolen te bezitten zal eerder voortgekomen zijn uit zakelijk inzicht. De moutmolen was namelijk bestemd voor zijn bierbrouwerij en azijnmakerij onder Nieuwer-Amstel. Het zijn ongetwijfeld de bedrijven die in de staat van fabrieken en trafieken van 1816 vermeld worden als een kunst azijnmakerij en een bierbrouwerij onder Nieuwer-Amstel. Van beide bedrijven werd vermeld dat ze 12 werklieden in dienst hadden, 24 man dus. Was dit mogelijk een verdubbeling en werkten de werklieden allemaal in hetzelfde bedrijf? In welk geval het zou gaan om 12 werklieden. De staat geeft daarover geen duidelijkheid. Wel dat zowel de azijnmakerij als de bierbrouwerij vroeger “bloeiende” waren, maar sedert de Franse tijd leidden ze een wat kwijnend bestaan. Azijn werd binnenlands geleverd, maar ook naar de Oost- en West-Indische koloniën verzonden, het bier alleen binnenlands. De combinatie van de fabricage van azijn en bier doet vermoeden dat aanvankelijk bierazijn werd geproduceerd; in de staat is sprake van kunst azijn. Bij gebrek aan informatie blijft dat vooralsnog onduidelijk. Duidelijk is dat Bicker in 1827 ten dienste van zijn bierbrouwerij een moutmolen wilde stichten.  
Zoals gezegd diende Bicker in 1827 in Den Haag een verzoekschrift in om ten behoeve van zijn bierbrouwerij aan de Overtoomseweg te Nieuwer-Amstel een moutmolen op te richten. De aanvraag was noodzakelijk om twee redenen. Voor het stichten van een molen was Koninklijke goedkeuring vereist, terwijl van elke fabriek of trafiek die opgericht, uitgebreid of overgenomen werd een onderzoek onder de buren moest plaats vinden om te zien of er gegronde bezwaren tegen het bedrijf ingebracht konden worden. Aanvankelijk leverde het verzoek van Bicker enig misverstand op, want de burgemeester van Nieuwer-Amstel kreeg het verzoek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland om van advies te dienen. Maar informatie leerde dat de moutmolen niet in die gemeente, maar in de mouterij van Bicker op het Amsterdamse Roeterseiland moest worden gesticht. Het gemeentebestuur van Nieuwer-Amstel was dan ook niet bevoegd, wat bij brief van 20 juli 1827 aan de provincie werd meegedeeld. Vervolgens was met enige vertraging het Amsterdamse gemeentebestuur aan de beurt om te adviseren.
Op 9 augustus 1827 was de commissaris over de publieke werken van die gemeente naar het Roeterseiland gegaan, om de situatie met eigen ogen te bekijken en de verzoeker en de buren te spreken. Plaatselijk bleek dat het pakhuis van Bicker waarin de mouterij was gevestigd aan de ene kant met een gemeenschappelijke muur belend werd door het Israëlitisch Ziekenhuis, en aan de andere kant door het pakhuis ‘de Druif’ van Jhr. W. van Loon. Voor het ziekenhuis was regent J.T. Philips gekomen, namens Van Loon diens gemachtigde de heer Gijzelaar. De laatste kon niet veel zeggen, alleen dat hij een en ander met zijn principaal zou bespreken, en dat naar aanleiding daarvan bericht zou volgen. Philips had de nodige bedenkingen. Hij vreesde overlast voor de zieken, omdat beide panden een gemeenschappelijke muur hadden, wat door de beweging van de molen overlast zou kunnen bezorgen. Tevens vreesde hij voor geluidsoverlast, en hoe nadelig dat voor de zieken zou zijn. Bicker nodigde hem daarop uit om op bezoek te gaan in zijn loodwitmolen, waar ook een rosmolen werkzaam was. Dat werd tussen de heren zo afgesproken. Vervolgens had de commissaris veel moeite moeten doen om van beide buren antwoord te krijgen. De verklaring van geen bezwaar van buurman Van Loon was na veel zeuren pas binnengekomen nadat het proces verbaal was opgemaakt. De regenten van het ziekenhuis hadden pas na lang aandringen laten weten tegen de komst van de molen te zijn, omdat die door het voortdurende geraas en de beweging zeer nadelig zou zijn voor de genezing van de zieken, en deze mogelijk zelfs zou verhinderen. Bicker vond de bezwaren ongegrond. Hij had de regenten immers laten zien hoe een en ander in de loodwitmolen werkte, en daar werkte men met drie paar molenstenen, en hier was het slechts de bedoeling om met een paar te werken, het geraas zou dus wel meevallen. Ook vond hij de bewering dat de beweging schadelijk zou zijn ongegrond. De gebouwen stonden immers niet met elkaar in verbinding? Het zou dus allemaal wel meevallen.
Eind augustus stuurde het gemeentebestuur het proces verbaal naar Gedeputeerde Staten, vergezeld van een uitgebreide brief. Daarin spraken zij nog even hun eigen zorg uit over de komst van de molen op zich. Een en ander moest natuurlijk wel voldoen aan de stedelijke regels over het maalrecht, en het moet zeker zijn dat de molen alleen voor mout zal worden gebruikt en niet voor bakgraan of rogge. Verder gingen ze alleen in op de plaatsing van de molen, waarbij ze tussen de regels door wel hun ergernis uitspraken dat een en ander zo lang had moeten duren, maar dat dit niet aan hen had gelegen, maar aan de trage reactie van de regenten van het Israëlitisch Ziekenhuis en Jhr. Van Loon, terwijl de heer Bicker altijd alle medewerking gaf. Men vond het initiatief van Bicker zeker toe te juichen, omdat het de nijverheid in de stad zou stimuleren, een zaak die ook de Koning aan het hart lag. Het verdiende dus zeker steun, maar aan de andere kant moesten de verpleegden in het ziekenhuis ook niet gehinderd worden bij hun genezing. Aan Bicker was gevraagd welk type molen hij wenste en waar hij deze wilde plaatsen. Daar was hij nog niet uit, eventueel een met de hand te bedienen; deze zou geplaatst worden op de eerste verdieping van de tweede zolder van het pakhuis. Een door paardenkracht aangedreven molen –een rosmolen– zou geplaatst worden in een van de loodsen op het terrein achter het pakhuis. De plaatsing van de met de hand te bedienen molen zou volgens de gemeente problemen opleveren. Want de regenten waren van plan om twee turfschuren naast het ziekenhuis op te metselen en deze in gebruik te nemen als ziekenzalen (zie de onderstaande plattegrond, E). In dat geval zou het pakhuis aan twee zijden worden ingesloten door het ziekenhuis, precies op de plaats waar de molen gepland was. De gemeenteraad adviseerde dan ook dit af te wijzen, maar plaatsing van een rosmolen in de verst van het ziekenhuis verwijderde loods toe te staan. De handmolen zou gesteld worden in het pand dat op de plattegrond aangegeven is met A, terwijl het gemeentebestuur geen bezwaar had tegen plaatsing van de rosmolen in de loods aangeduid met B 2. Voor geluidsoverlast op die afstand was men niet bang, want dat speelde ook geen rol bij de vele gruttersmolens die in de stad actief waren.
 
Gedeputeerden vergaderden over de zaak op 6 september 1827. Ook zij stelden dat zij stimulering van de nijverheid van harte wilden steunen, en dat zij goed beseften dat ook het gemeentebestuur van Amsterdam en de Koning dezelfde mening hadden, want een en ander zou het welvaren van het Rijk bevorderen. Maar toch vonden zij ook dat men moest bedenken dat niet “het belang van veelen aan het bijzonder belang van eenen enkelden word opgeofferd, vooral dan niet, wanneer het het welzijn van liefdadige instellingen en van algemeen nut geldt”; die zijn immers juist aangewezen op de bescherming van de regering. De vraag werd daarom gesteld of het zo was dat het Israëlitisch Ziekenhuis een zodanige last van de moutmolen zou hebben dat dit de genezing van de patiënten zou hinderen of zelfs onmogelijk zou maken. Als dat het geval zou zijn, dan zou het de regenten onmogelijk zijn om het ziekenhuis uit te breiden; het verzoek van Bicker zou dan niet kunnen worden toegestaan, omdat het belang van velen dan zou worden opgeofferd aan het geldelijk gewin van een enkele persoon. Door de andere partij werd aangevoerd dat het geraas van een paar stenen zo gering zou zijn dat dit niet tot merkbare overlast zou leiden. Gedeputeerde Staten vond in beide gevallen dat men te veel uit ging van veronderstellingen, de regenten van het “vermoedelijke geraas”, terwijl men de bewering van Bicker “even gewaagd” beoordeelde. Omdat er een zo grote onduidelijkheid heerste, was het advies van Gedeputeerde Staten dat aan het Amsterdamse stadsbestuur zal worden gelast de zaak ook nog voor te leggen aan de stedelijke geneeskundige commissie. 
Uit het verloop van de zaak blijkt dat Den Haag dat inderdaad gelast had, want op 17 januari 1828 werd meegedeeld dat ondanks een verzoekschrift van het Armbestuur van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge om het verzoek van de heer Bicker tot plaatsing van een moutmolen op het Roeterseiland af te wijzen, de Koning had besloten dit toe te staan, onder de voorwaarden die al door het gemeentebestuur waren geadviseerd: een rosmolen, te plaatsen in de loods op de plattegrond aangeduid met B 2. De plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt had een aan dat van het gemeentebestuur gelijkluidend advies uitgebracht. Aan Gedeputeerde Staten werd verzocht een en ander aan het Amsterdamse gemeentebestuur mee te delen, met het verzoek aan het Armbestuur mee te delen dat hun verzoekschrift was afgewezen. Daarmee was de moutmolen nog geen feit, want op 20 februari 1828 werd nog het Koninklijk Besluit genomen waarbij formeel aan Jhr. P.H. Bicker toestemming werd verleend om een moutmolen te stichten op het Roeterseiland. Wel onder de voorwaarde dat de molen alleen gebruikt zou worden ten dienste van de brouwerij, en dat de toestemming in geval van geconstateerde fraude zou worden ingetrokken. Het besluit werd overigens pas op 28 februari vanuit Den Haag naar Haarlem gezonden, te laat voor de vergadering van Gedeputeerde Staten. Die vergaderden dan ook eerst op 6 maart over deze zaak, en besloten toen een brief aan het gemeentebestuur te zenden, met het verzoek een en ander verder met de heer Bicker af te handelen. Het blijkt, ook in het geval van moutmolens werd ambtelijk langzaam gemalen… 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 2959 (21 november 1816, nr. 16), 3280 en 3282 (6 september 1827, nr.1), 3292 en 3294 (24 januari 1828, nr. 10), 3298 en 3300 (6 maart 1828, nr. 8).