donderdag 27 juni 2013

’t Is zomer, en nee dan brouwen we niet…

Met enige regelmaat word ik geconfronteerd met de vaststelling dat gedurende de zomer vroeger geen bier gebrouwen werd. In een aantal gevallen zal dit zeker correct zijn, vermoedelijk veelal op het platteland, waar brouwnijverheid soms als een bijkomende activiteit bij een boerderij werd uitgeoefend. Maar bij industriële bedrijven is de situatie waarschijnlijk anders geweest.

Dat is zeker het geval geweest in de stad Haarlem. In de archieven van het Haarlemse stadsbestuur en dat van het Brouwersgilde, bevinden zich over een lange periode redelijk gedetailleerde productiecijfers van de brouwerijen in de stad. Deze cijfers werden verzameld om een goede inning van de belasting op het brouwen van bier mogelijk te maken. Hoewel niet alle jaren aanwezig zijn, beschikken we op deze manier over cijfers die beginnen in de zestiende eeuw, en doorlopen tot het einde van de achttiende eeuw. Rond die tijd verdween de brouwnijverheid nagenoeg geheel uit Haarlem, in 1811 was alleen brouwerij ’t Scheepje aan de Houtmarkt nog in bedrijf. Van deze brouwerij is over een iets langere periode een schatting van de productie te maken, omdat delen van het archief van dit bedrijf uit de eerste helft van de negentiende eeuw bewaard zijn gebleven. Helaas zijn van de drie andere negentiende eeuwse bedrijven geen archieven bewaard gebleven, dus een betrouwbare schatting van het belang van de Haarlemse bierproductie uit de negentiende eeuw is niet te geven.

Nog lang niet alle cijfers van de productie van de Haarlemse brouwerijen zijn bewerkt, maar van een aantal jaren heb ik de maandelijkse cijfers wel beschikbaar. Hieronder volgen de cijfers over een zestal jaren, die mijns inziens voldoende aantonen dat de Haarlemse bierproductie het gehele jaar door ging. De getallen geven het aantal brouten aan dat in de betreffende periode werd geregistreerd.


jan
feb
mrt
apr
mei
juni
juli
aug
sept
okt
nov
dec
1574
91
61
84
53
65
100
72
70
54
71
64
69
1575
45
57
55
46
60
57
52
50
38
34
33
26
1576
27
29
30
27
28
35
31
33
35
32
33
26
1577
26
21
49
45
50
54
64
71
68
96
66
61
1578
51
54
62
52
61
66
69
74
85
88
95
89
1579
46
51
92
59
68
74
78
91
91
111
129
68
totaal
286
373
372
382
332
386
366
389
371
452
420
339

Bekijken we de totaalcijfers over de gehele periode, dan is hieruit niet af te leiden dat gedurende de zomerperiode de brouwnijverheid substantieel lager lag dan in de winterperiode. De cijfers zijn ontleend aan de rekeningen van het brouwgeld, die als bijlagen bij de rekeningen van de stad Haarlem werden opgenomen (Stadsarchief Haarlem vanaf 1573, inv.nrs. 1629-1634). Voor de stad Haarlem was deze periode een zeer moeilijke. Van december 1572 tot juli 1573 duurde het beleg door de Spanjaarden onder commando van Don Fadrique, de zoon van de in Nederland beruchte Hertog van Alva. Dit beleg bracht het openbare leven in de stad, inclusief de brouwnijverheid tot een volkomen stilstand. Dat is vermoedelijk de reden waarom over 1573 geen stadsrekening gemaakt is. Toen de stad nog maar net voorzichtig aan het herstel van de tijdens het beleg geleden schade begonnen was, werd ze in 1576 getroffen door een grote stadsbrand, die een groot deel van de stad in de as legde. Vandaar de betrekkelijk bescheiden productiecijfers in de jaren 1574-1579. Pas na 1600 herstelde de Haarlemse brouwnijverheid zich voldoende om Haarlem weer enige glorie als productiecentrum van bier te geven. Deze opleving hield aan tot de jaren zestig van de zeventiende eeuw, om vervolgens steeds verder af te nemen, zoals hierboven al is aangegeven.

In de bovengenoemde jaren was het aantal producerende brouwers in een enkel jaar nogal verschillend, wat deels aan de gevolgen van de stadsbrand zal hebben gelegen. Achtereenvolgens waren in de genoemde jaren de volgende aantallen brouwers werkzaam. 1574 (15); 1575 (11); 1576 (7); 1577 (10); 1578 (10); 1579 (11). Ter vergelijking het aantal brouwers dat in Haarlem werkzaam was gedurende het jaar 1659 bedroeg 49. In de administratie van dat jaar werden overigens 51 brouwerijen genoteerd, maar van de brouwerijen van de Ruijt en de Harp werd genoteerd dat deze gedurende dat jaar geen productie hadden. In het volgende jaar komen zij dan ook niet voor, een verschijnsel dat zich zoals aangegeven gedurende de jaren daarop steeds vaker zou voordoen. Ook over het jaar 1659 heb ik de productiecijfers beschikbaar (Brouwersgilde Haarlem, inv.nr. 37).


jan
feb
mrt
apr
mei
juni
juli
aug
sept
okt
nov
dec
1659
302
216
319
387
432
490
353
442
367
345
468
403

De cijfers van 1659 geven een gelijk beeld als die uit de eerder genoemde periode, gedurende het gehele jaar werd bier geproduceerd. Hoewel nog niet bewerkt en daarom hier ook niet getoond, geven de cijfers van andere jaren een zelfde beeld. Een en ander toont aan dat de brouwnijverheid van plaats tot plaats en van regio tot regio, van tijd tot tijd kon verschillen. Er zal in het onderzoek naar de brouwnijverheid verschil gemaakt moeten worden tussen productie voor een lokale markt, waarbij het brouwen voor de brouwers vermoedelijk een nevenactiviteit is geweest, en de industriële brouwnijverheid, die ook zeker voor het ontstaan van de grote brouwerijen in het laatste kwart van de negentiende eeuw al bestaan heeft.

dinsdag 25 juni 2013

Haarlems kloosterbier...

We leven in een tijd waarin nostalgie soms hoogtij viert. Boerenkaas, biologisch geteelde groenten, eieren van vrolijk op het erf pikkende kippen. Ze maken er allemaal deel van uit. Ook de bierconsumptie ontkomt niet aan deze trend, getuige het grote aantal brouwerijen dat op de een of andere manier traditioneel bier produceert. Bij die nostalgische golf hoort zeker ook het bier dat door kloosters wordt geproduceerd. Immers, volgens overlevering zijn de kloosters met de eerzame brouwende huisvrouwen de bakermat van ons bier. In  Nederland kennen we nu het bier van de Abdij van O.L. Vrouwe van Koningshoeven, ofwel La Trappe. Laafden de voorreformatorische Haarlemmers zich ook aan dergelijk kloosterbier?


Haarlem is in de loop van de eeuwen een Katholieke stad geweest en gebleven. Ook in de voorreformatorische tijd was dit duidelijk, onder meer door de aanwezigheid van enkele tientallen kloosters. Volgens de huidige gedachten gevuld elk met tientallen rondbuikige monniken met een olijke grijns, de met blond schuimend bier geheven bierkan hoog geheven. Op dat vrolijke beeld valt veel af te dingen. Zo waren lang niet alle Haarlemse klooster gevuld met monniken, en waren ook nogal wat vrouwenkloosters. En gezien de leefregels van verschillende orden zal het met de olijke grijns en de hoog geheven bierkan ook nog wel meegevallen zijn.
Bier was, naast de andere destijds beschikbare dranken zoals water en wijn eerder een dagelijks verbruiksartikel dan een genotsmiddel. Water was in een stad niet altijd even goed van kwaliteit, wijn relatief duur. Kloosterlingen leefden doorgaans onder een behoorlijk strikt regime van godsdienstige plichten. Misbruik van alcohol zal zeker wel voorgekomen zijn, maar absoluut niet verenigbaar met verblijf in een van de Haarlemse klooster. De vraag moet dan ook gesteld worden: werd in de Haarlemse kloosters bier gedronken en gebrouwen? Bij gebrek aan min of meer volledig bewaarde kloosterarchieven is die vraag niet makkelijk te beantwoorden. Gezien de positie van het bier in het dagelijkse menu kan aangenomen worden dat ook in de Haarlemse kloosters bier gedronken zal zijn. De vraag of er gebrouwen werd is afhankelijk van bewijs dat een klooster over een brouwerij beschikte.

Van een aantal Haarlemse kloosters is bekend dat ze op de helft van de zestiende eeuw in elk geval over een brouwerij beschikt moeten hebben, en dat ze ook bier produceerden. Dat blijkt namelijk uit de opgave van het aantal gebrouwen vaten bier binnen Haarlem in de periode november 1552- juli 1553. Deze opgave is bewaard als een bijlage bij de stadsrekening van Haarlem over het jaar 1554. In die periode kende Haarlem een kleine veertig brouwers, die garant stonden voor een behoorlijke –maar individueel zeer verschillende– productie. Koplopers waren grote brouwers, zoals Albert Jansz (2058 vaten), Jan Pietersz Kies (3259 vaten), Wigger Kousebant (1340 vaten), Wigger van Paanderen (2087 vaten), Steffen Dirksz (5030 vaten) en Pieter Ruijchaver (2340 vaten). Een paar van deze namen leven nu nog voort in de vorm van Haarlemse straatnamen. Zij stonden garant voor duizenden vaten smakelijk Haarlems bier. Maar ook mensen als Claar Moijses en Pieter Jacobsz Visscher produceerden bier, maar in hun geval niet meer dan enige tientallen vaten. Vermoedelijk brouwden zij alleen voor lokaal gebruik, mogelijk in hun eigen herberg. Overigens werd een deel van het Haarlemse bier buiten de stad uitgevoerd, en voerden Haarlemse herbergiers op hun beurt weer Duits en Engels bier in.
In de betreffende periode werden ook de brouwresultaten van een achttal Haarlemse klooster genoteerd. Het zijn de volgende instellingen, met daarbij het aantal door hen in de genoemde periode gebrouwen vaten bier.
De Grote Hof (het Begijnhof), 105 vaten;
Zijlklooster, 99 vaten;
Klooster van de Elfduizend maagden (Ursulaklooster), 81 vaten;
Catharinaklooster, 86 vaten;
Margrietenklooster, 64 vaten;
Mariaklooster, 50 vaten;
Annaklooster, 48 vaten;
Michielsklooster, 48 vaten.

Totaal produceerden de acht instellingen in ruim acht maanden een totaal van 581 vaten bier. Dat getal blijft ver achter bij de meeste brouwers uit de burgerij. Gezien het relatief geringe aantal vaten mogen we er daarom wel van uit gaan dat de Haarlemse kloosters slechts voor eigen gebruik produceerden.
Van een klooster werd overigens geen opgave ontvangen. In beide overgeleverde opgaven beklaagt de ontvanger zich dat hij ondanks een drietal verzoeken geen opgave ontving van de commandeur van het klooster van de Jansheren. Blijkbaar voelde de commandeur zich niet gehouden om zulke gegevens aan een eenvoudige Haarlemmer mee te delen. Hoeveel vaten de Jansheren meester maakten blijft dan ook voor ons verborgen…


woensdag 14 november 2012

van een flessehals en een bottelaar

Bier kent drie stadia, en daarom kent de beschrijving van de geschiedenis van het bier ook drie verschillende onderdelen. Stadium 1 is de productie, de geschiedenis van de producent; welke brouwerijen waren er, en wat is hun geschiedenis? Echter, een brouwer kan produceren wat hij wil, maar als hij zijn bier niet verkoopt, dan is alles voor niets geweest. Stadium 2 is dus de bierhandel. Zonder handel komt het bier niet bij de consument terecht en wordt het niet gedronken. Een zeer wezenlijk aspect dus. De handel in bier is in sommige opzichten nog een onontgonnen gebied. Stadium 3 is het drinken, de consument, de liefhebber. Naast de geschiedenis van de brouwerijen zal ik dus van tijd tot tijd ook aandacht besteden aan deze twee andere onderwerpen. Om te beginnen het antwoord op een praktijkvraag…

In Haarlem worden in de laatste jaren steeds meer ondergrondse vuilcontainers geplaatst. Vuilcontainers, maar ook verzamelbakken voor oud papier en glas gaan steeds vaker ondergronds. Afhankelijk van waar deze containers geplaatst worden kan een archeologisch onderzoek plaats vinden. Doorgaans zal dit soort onderzoek alleen in het oude stadscentrum van Haarlem gedaan worden. Zo ook aan het Spaarne, bij de Sleutelstraat. Bij het onderzoek kwam een gedeelte van een bierfles –een beugelfles– tevoorschijn, met daarop de naam “J. Rooze bierhandel Haarlem”. Een onderzoeker stelde de vraag of er meer bekend was over deze bierhandel. Een onderzoek op internet en bij het handelsregister had geen resultaat opgeleverd. Eerlijk gezegd kende ik deze naam ook niet. Een beknopt onderzoek in de Haarlemse adresboeken vanaf 1895 leverde ook niets op. Wel een W.C. Rooze, die tapper aan de Patiëntiestraat was; de enige J. Rooze die ik vond was groentehandelaar, óók aan de Patiëntiestraat 18. Had ik daarmee de bierhandelaar gevonden? Het resultaat bevredigde mij eerlijk gezegd niet.
Gelukkig zijn steeds meer kranten digitaal beschikbaar, en dat is juist voor het onderzoek naar de brouwnijverheid en bierhandel in de negentiende eeuw van groot belang. Was het zoeken naar allerlei sporen van kleine bedrijven vroeger een heel gedoe, tegenwoordig is met een min of meer slimme zoekactie in een van de krantenbanken soms verrassend resultaat te bereiken. In de digitale versie van het Haarlem’s Dagblad, aangeboden door het Noord-Hollands Archief (www.noord-hollandsarchief.nl, kiezen voor kranten), vond ik een tweetal verwijzingen naar de bierbottelarij van een J. Roose aan de Gedempte Voldersgracht te Haarlem. In de eerste advertentie (14 april 1884) prees Roose zich aan als “Bierhandel van binnen- en buitenlandsche bieren” aan de Gedempte Voldersgracht 39. Een veel waarschijnlijker kandidaat dan de tapper uit de Patiëntiestraat. Een tweede advertentie van 13 september 1884 meldt J. Rooze als adres waar bestellingen voor een elders in Haarlem gevestigde brandstoffenhandelaar geplaatst konden worden.

Een onderzoek in het Haarlemse bevolkingsregister leerde dat het hier gaat om Jacobus Roose, geboren te Haarlem op 30 oktober 1848, wever van beroep. Deze werd op 25 januari 1885 ingeschreven op het adres Voldersgracht 13, en van daar uitgeschreven op 26 juli 1886. Weliswaar een ander nummer dan uit de beide advertenties, waar huisnummer 39 werd opgegeven. Dat het hier wel om dezelfde persoon zal gaan blijkt uit het adresboek van Haarlem voor het jaar 1887, waarin J. Roose werd vermeld als bierhandelaar op het adres Voldersgracht 13 te Haarlem. Erg succesvol lijkt de bierhandel en bierbottelarij niet geweest te zijn. Na de vermelding uit het adresboek komt Roose nergens meer voor met dat beroep. Vermoedelijk is hij de bottelarij en handel begonnen op nummer 39, en heeft hij dit voortgezet op nummer 13. Uit de advertentie van april 1884 kan in elk geval geconcludeerd worden dat hij onder meer Engels bier verkocht van Bass & Co., en het bekende stout van Van Vollenhoven in Amsterdam. Wat ooit in de gevonden beugelfles heeft gezeten? Geen idee. We kunnen in elk geval concluderen dat deze in de periode 1884-1886 gevuld en geleegd zal zijn. Vervolgens is de fles bij het huisvuil terecht gekomen, en daarna gebruikt voor de ophoging van de Spaarnekade ter hoogte van de Sleutelstraat. Zo vergaat het eerzame bierflessen: geliefd, gebruikt en weggeworpen…

maandag 6 februari 2012

Alleen als-tie ijs- en ijskoud is!

Bier heeft de neiging om op vele plaatsen op te duiken en geconsumeerd te worden. Een fris pilsje of een wit biertje als zomerse dorstlesser op een zonnig terrasje. Bij de buitentemperatuur die tijdens het schrijven van deze blog in Nederland overheerst (volgens de weerpagina op dit moment -12 graden Celsius) een visioen waarvan we alleen maar kunnen dromen. Koel bier. Ooit was bier van de Haarlemse firma De Haan en Raven wellicht te rekenen tot het koudste bier op aarde…


De brouwerij was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw ontstaan als de Firma Van Lommel en Vogelpoel, maar blijkbaar was dat voor de firmanten geen succes, want het bedrijf werd overgedaan aan de verzekeringsagent Samuel Cornelis Raven, die er wel een cursus brouwen bij bedong. Per slot is verzekeren een heel ander vak dan het produceren van bier. Raven was een Haarlemse burger in redelijke doen, maar geen financieel gigant. Dat zal er toe geleid hebben dat hij een partner zocht voor zijn brouwerij, die inmiddels werkte onder de naam “de Witte Raaf”. Die partner vond hij in de zeer gefortuneerde Dr. Daniël de Haan. De Haan was ambteloos, maar wel actief in de plaatselijke politiek (hij was raadslid en wethouder van Haarlem), en zeer geïnteresseerd in wetenschap. Zo had hij zijn eigen scheikundig laboratorium in de tuin van zijn riante huis aan het Haarlemse Kenaupark, en was hij onder meer lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.

De brouwerij was aanvankelijk redelijk succesvol en werd verschillende keren uitgebreid. Hoe de arbeidsverdeling tussen de firmanten was blijft onduidelijk. Er is geen bedrijfsarchief overgeleverd, en we moeten het doen met de schaarse gegevens uit overheidsarchieven en andere bronnen. Was Raven de koopman, en De Haan de man met passie voor de techniek? In 1885 werd de vennootschap ontbonden en ging Raven blijkbaar van zijn geld leven, terwijl Daniël de Haan de brouwerij onder dezelfde naam voortzette, daarbij geholpen door zijn gelijknamige zoon. Hoewel de brouwerij juist in deze tijd nog sterk werd uitgebreid in verband met de verdergaande omschakeling op het brouwen van ondergistend bier, had het bedrijf zijn langste tijd gehad. In 1895 overleed De Haan, met achterlating van een negatief saldo op zijn nalatenschap. De erfgenamen waren daarom gedwongen de brouwerij te liquideren. Zoon Daniël de Haan werd directeur van Ringers chocoladefabriek, en de bedrijfspanden werden opgekocht en geschikt gemaakt voor de fabricage van zeep, in de N.V. de Haarlemsche Stoom Zeepfabriek “het Klaverblad”. Zodoende herinnert in Haarlem niets meer aan de brouwerij “de Witte Raaf”.

Maar, wat heeft dat alles nu te maken met ijskoud bier? Het brouwen van bier is een ding, het verkopen een ander. Wil je het door jou geproduceerde bier verkopen, dan moet je reclame maken, en soms zelfs stunten. Het zal De Haan geweest zijn die het contact heeft gelegd met de personen die betrokken waren bij de organisatie van een Nederlandse Poolexpeditie. Hij was immers geen onbekende in de wetenschappelijke wereld, en de in 1882-1883 georganiseerde expeditie was een wetenschappelijke onderneming. Van diverse kanten werd geld beschikbaar gesteld, onder meer door leden van het Koninklijk Huis. Maar ook particulieren en bedrijven stelden geld en goederen beschikbaar, in die laatste gevallen sponsoring met naamsvermelding. Zo ontving de organisatie twaalf blikken rolpens van de Amsterdamse firma J. H. Schreuder, en stelde de firma Ter Marsch uit Rotterdam maar liefst honderd blikken hoofdkaas beschikbaar. Om dit alles weg te werken werden door wijnhandelaren flessen champagne en moezelwijn geschonken, terwijl de Schiedamse firma Daniël Visser en Zoon maar liefst 320 liter “Beste Genever” beschikbaar stelde. De stad Haarlem mocht daarbij niet ontbreken, en zo stelde de firma De Haan en Raven vijf kisten bier ter beschikking. In elk geval tot dan toe het koudste Haarlemse bier ooit. IJs- en ijskoud…


Zie : Maurits Snellen, De Nederlandsche Pool-expeditie, 1882-1883, (Utrecht 1886), waarvan een digitale versie op internet te raadplegen is: http://objects.library.uu.nl/reader/index.php?obj=1874-9881&lan=en#page//93/22/63/93226316946650518051113944826708883706.jpg/mode/1up; Dr. D. de Haan te Haarlem was een van de intekenaren van dit verslag.

maandag 29 augustus 2011

De Vijfhoek, een Haarlemse brouwerij?

De meeste Haarlemmers zullen het niet vreemd vinden, een brouwerij van die naam. Immers, Haarlem kan bogen op een wijk van die naam (het zuidwestelijk gedeelte van de oude binnenstad, www.wijkradenhaarlem.nl/vyfhoekraaksdoelen), en binnen die wijk op een populair café met dezelfde naam (www.cafedevijfhoek.nl). Een brouwerij de Vijfhoek zullen ze dus ook in dat deel van de stad zoeken. Onmogelijk is dat niet, want het Fortuin en de W zijn twee van de Haarlemse brouwerijen die midden in de Vijfhoek gelegen hebben. De wijk ontleent zijn naam trouwens aan de vorm, een keurige vijfhoek. Maar toch, de naam Vijfhoek is voor een brouwerij niet specifiek Haarlems. En een brouwerij van die naam was evenmin in de huidige wijk van die naam gelegen. Tot nu toe vond ik vier brouwerijen met de naam Vijfhoek, twee in Haarlem, een aan de Oudegracht en een aan de Burgwal. Maar er was in zeventiende en achttiende eeuw ook een brouwerij de Vijfhoek actief in Enkhuizen, en tot in de negentiende eeuw ook nog een in Middelburg. De naam is dus minder exclusief dan Haarlemmers zouden denken.

De eerste Vijfhoek (Oudegracht)

Zoals gezegd kende Haarlem twee brouwerijen die met de naam Vijfhoek getooid waren. Niet tegelijk, want dat zou behoorlijk verwarrend zijn geweest. De ene was gelegen aan de Oudegracht, het gedeelte dat vroeger ook wel werd aangeduid met Smalle Gracht; het is het eerste stuk van de huidige Gedempte Oudegracht gerekend vanaf het Spaarne, en de brouwerij was gelegen in het deel dat begrensd wordt door de Essenstraat aan de oostkant en de De Witstraat aan de westkant. Lang hield deze brouwerij de naam niet, want hij komt ook voor als de Toll, de Dissel en ging uiteindelijk door onder de naam de Boog. Die brouwerij de Boog werd weer een azijnmakerij van dezelfde naam, die het onder beheer van de firma de Weduwe Herman Draveman zelfs tot in de twintigste eeuw uithield. Het bedrijf en daarmee de merknaam werd overgenomen door concurrent Haas Azijn, die nog tientallen jaren het merk Boog Azijn bleef voeren. Maar dat alles is een ander verhaal dat ik in een later stadium wel eens zal vertellen.

De tweede Vijfhoek (Burgwal)

Zoals inmiddels al duidelijk gaat het hier verder over de brouwerij de Vijfhoek die gelegen was aan de Burgwal, aan de oostzijde van het Spaarne. Ook deze brouwerij had aanvankelijk een andere naam. De ouderdom is vooralsnog niet vast te stellen. Bekend is dat er aan de Burgwal al aan het einde van de veertiende eeuw tenminste een brouwerij gelegen was. Het gaat te ver om te veronderstellen dat de Griffioen (de eerdere naam van de Vijfhoek) terug te voeren is tot die tijd. Zeker is dat de brouwerij onder de naam de Griffioen al dateert van begin van de zeventiende eeuw, en misschien nog iets vroeger. De eerste namen die we in combinatie met deze brouwerij vinden, zijn die van vader Barent Gerritss en zoon Gerrit Barentss. De eerste bezit een kwart, de tweede drie kwart, wat blijkt als Gerrit zijn aandeel in 1603 verkoopt aan Catrijn Dircxdr, weduwe van Willem Pieterss in leven secretaris van Amsterdam. Rond de eigendom van Gerrit Barentss en het feit of hij werkelijk de gehele tijd de brouwer van de Griffioen was zijn wel wat onduidelijkheden. In 1603 is hij namelijk vermeld als de brouwer in de Gecroonde Moutschop, een tot nu toe niet goed te plaatsen brouwerij. Gerrit komt voor als brouwer in de jaren 1602-1614 en 1620-1621, maar onduidelijk is in welke brouwerij. In 1608 werd Gerrit weer als eigenaar van de Griffioen genoemd, omdat hij zijn aandeel toen als onderpand gaf, voor een bedrag van 1200 gulden als borgstelling voor de Alkmaarse biersteker Gerrit Aernts Timmerman. In deze akte is duidelijk sprake van “zijne huijsinge, erve, brouwerie ende toebehoorten”, waaruit geconcludeerd kan worden dat hij er toen ook woonde en werkzaam was. Het verdwijnen van Gerrit Barentss uit de administratie van de brouwgelden na 1621 wijst er op dat hij in elk geval na dat jaar geen brouwer meer was. Dat de brouwerij gestaakt werd leren we weer uit een andere bron, het kohier van de verponding van 1628, waarin gemeld werd dat de brouwerij van Gerrit Baertentss “uijtgebroken” is en er geheel “desolaet” bij ligt. Dat wijst natuurlijk niet op veel activiteit. Op 1 november 1632 wordt de brouwerij nog een keer genoemd als belending bij een verkoop, en deze heet dan “de brouwerije geweest van ’t Griffioen”.

Merk van brouwerij de Vijfhoek (1647)

Kort daarop moet Jan Cornelissen in hetzelfde perceel opnieuw een brouwerij gestart zijn, want vanaf 1633 komt hij voor in de administratie van de brouwgelden. Zijn brouwerij wordt aangeduid met de naam Vijffhoeck. Dat het om hetzelfde perceel moet gaan blijkt uit een aantal akten. Zo koopt hij in 1633 drie vierde deel van de brouweij van de Griffioen, gekomen van Gerrit Barentss, waarvan het laatste vierde deel aan diens kinderen toe komt. En ook is bij de Vijfhoek in 1648 sprake van een loden goot die de vorige eigenaar Gerrit Barentss heeft laten leggen. En in 1668 werd gesproken van een vordering die sinds 15 oktober 1615 op het perceel rustte, in hoofdsom groot 800 gulden, tegen een rente van 5%. Deze was op het pand gevestigd in het testament van Barent Gerritss en Femmetje Harmens ten bate van hun kleinkinderen, en kon pas afgelost worden indien aan alle voorwaarden in het testament was voldaan. Jan Cornelissen komt met verschillende namen voor in de administratie van de brouwgelden. Soms met de naam Molenaer, soms met de naam Van Meeckelen, en soms met de naam De Jongh, een naam die later door zijn kinderen gevoerd blijkt te zijn. De naam Van Meeckelen identificeert hem als lid van een familie van Haarlemse brouwers van het “tweede plan”. Niet de brouwers die behoorden tot het Haarlemse stadsbestuur en daarmee tot de stedelijke elite, maar uit de gegoede burgerij.
Jan Cornelissen moet rond 1641 overleden zijn, omdat vanaf 1642 zijn weduwe Kniertje (of Cunera) Claes als brouwster vermeld wordt. Zij heeft in elk geval tot 1660 de brouwerij gedreven, in 1661 wordt deze nog wel genoemd, maar zonder naam van de brouwer. Mogelijk is Kniertje in 1660 overleden en hebben de erfgenamen het bedrijf in de loop van 1661 geliquideerd. Als zij in 1668 overgaan tot verkoop is ook geen sprake meer van een brouwerij, maar slechts van een mouterij. Deze zal het ook niet lang meer gemaakt hebben. Het laatste wat we van dit bedrijf horen is in 1687, als sprake is van het huis “van outs genaemt de brouwrije van de Vijffhoeck”. De locatie van de brouwerij is nog niet exact vastgesteld. Wel is het een en ander bekend uit transportakten. De ligging aan de Burgwal staat buiten kijf, maar uit de akte van 1687 weten we ook dat er een achteruitgang was aan de Hondesteeg. Verder bezat de brouwer ook een huis aan de Hagestraat. We moeten de brouwerij dus zoeken in de buurt van die straat en steeg. En dan komen we terecht aan de zuid westkant van de Burgwal. De Hondesteeg liep evenwijdig aan de Burgwal, van de Hagestraat in de richting van de Antoniestraat en is thans bekend onder de naam St. Antoniesteeg; blijkbaar vond men de naam van die steeg aan het begin van de twintigste eeuw niet aantrekkelijk genoeg.
Gevelsteen van de Enkhuizer Vijfhoek

De Vijfhoek in Enkhuizen en Middelburg, de oorsprong van de naam

Eerder sprak ik over de wijk de Vijfhoek. Maar daaruit werd al duidelijk dat dit niet de naamgever was van de Haarlemse brouwerijen. Gedacht zal moeten worden aan het pentagram, de vijfpuntige ster. Het pentagram is bekend als magisch symbool, wat me wel nieuwsgierig laat zijn naar het bier dat bij de brouwerijen van die naam geproduceerd werd. Uit de hierboven getoonde afbeelding uit de administratie van de brouwgelden blijkt dat dit symbool in elk geval gebruikt werd voor de brouwerij van Kniertje Claes. Ook de Enkhuizer brouwerij was getooid met het pentagram, wat blijkt uit de gevelsteen die nog steeds aanwezig is aan de Dijk in Enkhuizen. De brouwerij in Enkhuizen bestond in elk geval al in 1630; in 1765 was sprake van de gewezen brouwerij. Hoe oud de Middelburgse brouwerij is, dat is mij niet bekend. Zeker is dat het bedrijf in de jaren zestig van de negentiende eeuw nog werkzaam was. Of dit bedrijf als kenteken ook van het pentagram gebruik maakte weet ik niet.

Advertentie van de Middelburgse Vijfhoek 1859

donderdag 25 augustus 2011

1824: een nieuwe brouwerij in Alkmaar?

Voor de bestudering van de geschiedenis van de brouwnijverheid in de negentiende eeuw komen verschillende bronnen in aanmerking. Een van de archieven waaruit interessant materiaal gehaald kan worden is het archief van de provincie. Zeker in de periode 1814-1849 was de provincie een belangrijke schakel in het bestuur van het koninkrijk. De gouverneur (thans commissaris der koningin genoemd) werd wel ‘de spion van zijne majesteit’ genoemd, en hij fungeerde dan ook als een belangrijke informatiebron voor ‘Den Haag’. Naast de gouverneur speelden ook Gedeputeerde Staten een belangrijke rol. De onbelangrijkste rol was weggelegd voor de Provinciale Staten; zij vergaderden slechts enkele dagen per jaar en hielden zich voornamelijk bezig met het verlenen van subsidies, en het accorderen van de provinciale begroting en rekening. Welke soort gegevens in het archief van Gedeputeerde Staten zijn te vinden, laat het volgende verhaal zien: het voornemen tot het stichten van een nieuwe brouwerij in de stad Alkmaar.

De aanloop
Het verhaal begint met een verzoekschrift van Hermanus Bergwever en Johannes de Veer uit Alkmaar om in het door hen gekochte pand aan de Bierkade te Alkmaar (wijk C no. 13) een nieuwe brouwerij te mogen stichten, welk verzoek door Gedeputeerde Staten op 9 november 1824 om advies aan burgemeester en wethouders van Alkmaar werd gezonden. Volgens het koninklijk besluit van 31 januari 1834 (staatsblad no. 19) was voor de stichting van een dergelijk bedrijf de toestemming van Gedeputeerde Staten nodig. Burgemeester en wethouders van Alkmaar hebben op verzoek van G.S. de zaak onderzocht en zijn bijzonder gelukkig met dit initiatief. Immers, het bevordert de werkgelegenheid en de nijverheid binnen hun gemeente. En dat is hard nodig, want zoals zij aangeven: “Het spreekt toch van zelve, dat na het zien te niet gaan, nog in onzen leeftijd van onderscheidene Fabrieken van dien aart, het aan ons niet dan zeer aangenaam kan zijn, pogingen te zien in het werk gesteld, om dezelve weder te doen herleven, en het vertier en welvaren der Stad daardoor te zien bevorderd.” Met andere woorden, de gemeente is helemaal tevreden met dit initiatief. Maar ja, het probleem is dat er ook buren zijn, en die hebben inspraak, ook al in 1824. En de gemeente vat dit niet licht op en nodigt daarom de beide buren uit om hun mening over het verzoekschrift te geven.
De ene buurman –Dirk Brouwer– heeft geen enkel bezwaar tegen de stichting, zoals door de gemeente wordt meegedeeld, hij heeft er niet alleen geen bezwaar tegen, maar zegt “zelfs gaarne te zullen zien dat hetzelve wierdt geaccordeert.” Beter dan dat kunnen de initiatiefnemers en de gemeente zich niet wensen. Buurman Brouwer wil de brouwerij zelfs graag naast zich zien. Andries Klasing, de andere buurman is van geheel andere mening. De gemeente is niet blij met zijn bezwaren, want zoals ze stellen, de “opgegevene redenen en zwarigheden niet zullen kunnen geacht worden eenigsints van dat belang te zijn, om uit dien hoofde de toestemming tot de oprigting van eene zoo belangrijke Fabriek te weigeren”. Ze vinden de bezwaren namelijk zo algemeen dat als hier aan toegegeven moet worden er nergens in de gemeente een dergelijk bedrijf gesticht kan worden, dan alleen in het open veld. In onze tijd lijkt dit een geldig argument. De industrie uit het centrum van de stad, op speciaal daarvoor aangelegde terreinen. Maar voor negentiende eeuwse begrippen was dat volstrekt onacceptabel. Eeuwenlang waren fabrieken in de stad gevestigd geweest, en burgemeester en wethouders van Alkmaar anno 1824 zagen dan ook geen enkele noodzaak dat te gaan veranderen.
Wat waren nu eigenlijk de argumenten van buurman Klasing? Die worden duidelijk uit zijn bezwaarschrift dat op verzoek van het Alkmaarse gemeentebestuur door hem op schrift werden gesteld. Hij spreekt van de “Groote laste en onaangenaamhedens zo ook de gevare, die hem te wagten staan”. Het klinkt beslist omineus. Zijn eerste bezwaar geldt het feit dat een brouwerij en mouterij zowel bij dag als bij nacht gestookt zal worden. En dat zal beslist overlast geven aan zijn eigen bedrijf, dat bestaat uit een koffiekamer, een tapperij en een tabakskerverij. Verder vreest hij dat door de ligging van zijn panden, die onder de zuidwestelijke wind liggen, zijn regenwater bevuild zal worden, en dat zijn bleekveld schade op zal lopen. Met andere woorden, de normale windrichting zal de vervuiling van de brouwerij over zijn percelen zenden. En dat terwijl hij al vijfentwintig jaar ongehinderd en met goed gevolg zijn bedrijf heeft kunnen uitoefenen, met groot vertrouwen van vele, vaak zelfs welgestelde kooplieden. Hij vreest de totale ruïne, zowel ten nadele van hemzelf als van zijn talrijk huisgezin!
Gedeputeerde Staten vergadert…
De drie stukken, het verzoekschrift van Bergwever en De Veer, het gunstige rapport van de gemeente, en de bezwaren van Klasing, zijn vervolgens onderwerp van gesprek geweest in de vergadering van G.S. van 2 december 1824. Omdat de stukken niet eenduidig zijn wordt besloten de zaak in handen van een van de leden van G.S. te geven, de heer Huyghens, om nader onderzoek te doen en te rapporteren in de volgende vergadering. Blijkbaar geeft zijn rapport op 9 december aanleiding tot enige discussie in het college. Een deel van de tekst die daarvan is overgeleverd werd doorgehaald, en wel het deel dat handelde over het direct toestaan van het verzoekschrift tot stichting van een brouwerij. Mogelijk vond een deel van de leden dat de gemeente Alkmaar groot gelijk had, en was dat deel van mening dat het verzoek tot het stichten van een brouwerij op die plaats gewoon, en zonder zeuren moest worden toegestaan. Maar iemand zal op enig moment geconstateerd hebben dat niet voldaan was aan een belangrijk punt, vastgelegd in artikel 4 van het eerder genoemde besluit van zijne majesteit van 31 januari 1824: het vaststellen van een proces verbaal de commodo et incommodo. Wat zoveel betekent als een rapport waarin de voordelen en de nadelen tegen elkaar werden afgewogen. Er moet dus eerst een nader onderzoek plaats vinden, voordat G.S. een besluit zal nemen. Aan burgemeester en wethouders van Alkmaar werd dan ook een brief gezonden waarin werd meegedeeld dat eerst het genoemde proces verbaal moest worden opgesteld.
Commodo et incommodo
Het Alkmaarse gemeentebestuur was er blijkbaar veel aan gelegen om de zaak nog in het lopende jaar tot een goed einde te brengen, want het door G.S. gevraagde proces verbaal is gedateerd op 31 december 1824. En op dezelfde datum zond men het namelijk in aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, onder het uitspreken van de constatering dat “door deskundigen de meerdere of mindere gegrondheid der bezwaren van Klasing zijn beoordeeld geworden.” In het proces verbaal werd nog eens gememoreerd dat tijdens een vergadering van burgemeester en wethouders op 16 november de beide buren van het perceel waarin de brouwerij gesticht zou worden waren opgeroepen. Dirk Brouwer, veerschipper van Alkmaar op Amsterdam, wonende Bierkade, wijk C no. 12, had verklaard dat hij geen enkel bezwaar tegen de komst van een brouwerij had, en de stichting van deze nering zelfs toe te juichen. Wie weet zag hij de vaten bier om naar elders te transporteren al op zijn schuit rollen. Ook de eerder al genoemde bezwaren van Klasing, tapper wonende Bierkade, wijk C no. 14 werden opnieuw opgesomd. Om meer duidelijkheid over pro en contra te krijgen hadden B & W van Alkmaar Willem Hamer, stads architect, en Cornelis Verhoeven, metselaar, opdracht gegeven over de ingediende bezwaren te adviseren. In hun rapport van 31 december gaan zij punt voor punt op deze bezwaren in. Deze werden door hen gezien als drie afzonderlijke punten. Ten eerste het mogelijke gevaar en de mogelijke geluidsoverlast voor klanten en personeelsleden van het bedrijf van Klasing, door het dag en nacht stoken van de brouwerij, en het kuipen dat daarbij zou moeten plaats vinden. Het tweede bezwaar was dat van de eventuele vervuiling van het regenwater, en het derde bezwaar het niet meer bruikbaar zijn van het bleekveld bij het huis van Klasing.
Een gevaar van brand vinden zij geen groot risico. Immers, bij de wet van 2 augustus 1822 zijn allerlei voorzorgsmaatregelen rond brouwerijen verordonneerd, en de tegenwoordige inrichting van dit soort bedrijven en de surveillance geven voldoende waarborgen. Eerder vinden zij een groter brandgevaar in de door Klasing zelf in zijn huis en tapperij georganiseerde “liefhebberij Komedie (…) waarin het ontstaan van brand, niet zoo geheel vreemd is.” Los daarvan is uit onderzoek gebleken dat de geluidoverlast ook wel mee zal vallen, omdat de werkzaamheden die dat veroorzaken niet of nauwelijks gehoord zullen worden door gasten of personeelsleden van Klasing. Het tweede en derde bezwaar wordt in een keer afgehandeld. Ze hebben een aantal buren van de reeds lang bestaande brouwerij het Fortuin naar hun ervaringen gevraagd. Deze personen geven daarbij niet alleen hun mening, maar voorzien die verklaring ook van hun handtekening. Allereerst Geertje Meijer, weduwe van Hermanus van Tellingen, die verklaart al bijna dertig jaar lang met haar man op de hoek van de Oude Gracht, in het zogenaamde Ruitersteegje gewoond te hebben. Haar huis is direct achter de brouwerij het Fortuin gelegen, en nog nooit heeft zij enige hinder gehad, noch door de vervuiling van het regenwater, noch bij het bleken. Alleen was er wel eens wat overlast als de schoorsteen van de brouwerij gereinigd werd, maar dat werd altijd van te voren door de eigenaars aangekondigd. Jan Plas, meester timmerman, heeft met zijn overleden moeder ongeveer dertig jaar naast de brouwerij op de Oude Gracht gewoond, en hij kan zich niet herinneren dat zijn moeder ooit geklaagd heeft overlast gehad te hebben, niet over het regenwater, niet over het bleken. Tenslotte Gesina Duiven, weduwe van Pieter Vervooren, zij heeft eerst met haar man en later alleen meer dan vijfentwintig jaar in een huis aan de Oude Gracht gewoond, waarvan het erf grenst aan de brouwerij het Fortuin, en zij heeft “in al dien tijd geen het minste hinder of ongemak daar van” geleden. De door de gemeente gevraagde deskundigen verklaren dan ook dat aan de bezwaren van Klasing verder geen gewicht moet worden toegekend…
Gedeputeerde Staten vergadert opnieuw: eind goed, al goed?
De eerstvolgende vergadering van G.S. was op 6 januari 1825. Daar was de brief met proces verbaal van burgemeester en wethouders van Alkmaar onderwerp van gesprek. Geconstateerd werd dat geheel voldaan was aan alle regels, dat de bezwaren van Klasing van een dusdanige aard waren dat ze genegeerd konden worden. Zoals men vanuit Alkmaar al eerder had laten weten, als men toe zou geven aan dergelijke bezwaren, dan zou nooit meer een fabriek opgericht kunnen worden. Uit de formulering wordt duidelijk dat G.S. deze constatering van harte deelde. Besloten werd dan ook om gunstig te beschikken op het verzoekschrift van Hermanus Bergwever en Johannes de Veer om in het pand Bierkade, wijk C no. 13 te Alkmaar een bierbrouwerij te stichten. Wel onder de voorwaarde –zoals gesteld in artikel 6 van het eerder genoemde koninklijk besluit van 31 januari 1824– dat de buren van het bedrijf daarvan geen hinder zouden mogen hebben. Van dit besluit werd bericht gezonden aan burgemeester en wethouders van Alkmaar, aan de verzoekers Bergwever en De Veer, en aan buurman Klasing. Eind goed, al goed? Tsja, of buurman Klasing het met die constatering eens is geweest kunnen we vermoedelijk wel betwijfelen.
De moutmolen
Korte tijd later was de bierbrouwerij van Bergwever en De Veer weer onderwerp van gesprek. Aan de Koning hadden zij namelijk toestemming gevraagd om ten dienste van hun brouwerij een moutmolen op te mogen richten. Dit verzoek werd op 5 september 1825 door de Administrateur van het Binnenlandsch Bestuur om advies naar de provincie Noord-Holland gestuurd. Op 28 september 1825 gaf het gemeentebestuur van Alkmaar aan dat bij hen geen bezwaren waren binnengekomen tegen de oprichting van een dergelijke molen voor de brouwerij. Gedeputeerde Staten besloten daarom in hun vergadering van 29 september aan Den Haag te berichten dat “er van de zijde van het administratief beheer en der plaatselijke politie geene bedenkingen bestaan” tegen het oprichten van een moutmolen in deze bierbrouwerij. 
Bronnen: Provinciaal Bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nrs. 3196 en 3197 (2 en 9 december 1824, nrs. 2 en 22), 3198 en 3199 (6 januari 1825, no. 12), 3218 en 3219 (29 september 1825, nr. 36).