woensdag 24 augustus 2011

Rozijnbier? Een kwestie van onduidelijk formuleren…

Een bijproduct van de traditionele bierbrouwerijen was  bierazijn. In Haarlem waren zelfs diverse bierbrouwerijen die het product ook standaard produceerden toen het met de bierafzet steeds slechter ging. Een bedrijf als bierbrouwerij “de Boog” aan de Oudegracht in Haarlem wist als azijnfabriek tot in de twintigste eeuw te overleven, maar dan inmiddels met rozijnazijn en kunstazijn. Maar over “de Boog” gaat dit stukje niet. Het gaat over een verzoek van L. van Bredael Jr. (Rozengracht 84 te Amsterdam) om in Sloten een bedrijf te mogen starten.

Op 21 november 1850 verzocht hij aan Gedeputeerde Staten om in het gebouw “Arbeid en Uitspanning” aan de Maljapekade onder Sloten (wijk 5 nr. 410) “eene Rozijn Bierbrouwerij en Fabriek van Rozijn wijn op te richten”. In het rekest geeft hij aan dat hij daartoe nodig heeft een kuip van ongeveer 3 tot 4000 Nederlandse kan, een ketel van ongeveer 3 tot 400 kan, en een handmolen. De grondstof voor zijn fabricaat zal rozijn zijn. Het rekest werd in handen gesteld van het gemeentebestuur, dat contact opnam met de buurman van het perceel, de heer F. Heijdt, die verklaarde tegen de komst van het bedrijf geen bezwaar te hebben. Ook werd het gebouw nader onderzocht, en men kwam tot de conclusie dat het geschikt was om een dergelijke onderneming in onder te brengen. Het bleek dat er al een handmolen aanwezig was.

In de vergadering van 19 december 1850 was dit alles onderwerp van overleg. Gedeputeerde Staten verklaarden op zich geen bezwaar te hebben tegen de stichting van het bedrijf. Maar wel onder de voorwaarde dat door de verzoeker vooraf ook nog vergunning zou worden gevraag bij de Minister van Financiën, in verband met de voorschriften voor de belastingen op het “binnenlandsch Gedistilleerd”. Hoewel Van Bredael spreekt van een “bierbrouwerij” had hij blijkbaar een ander eindproduct op het oog. Azijn, of wellicht nog iets anders? Het is mij onduidelijk.
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 4074 (19 december 1850, nr. 20).

Bierbrouwersvaria betreffende Amsterdam

Hierna beschrijvingen van wat zaken rond Amsterdamse brouwerijen. Uit 1825 de stichting van een ros moutmolen voor de bierbrouwerij het Roodhart, uit 1826 het verzoek van John Binns om de bierbrouwerij van Jacques le Clerc, Baangracht / Korte Leidsedwarsstraat voort te mogen zetten, en tenslotte uit 1846 het verzoek van Beckman, de Veer & Cie om een bierbrouwerij te mogen stichten op de Baangracht, tussen de Spiegelgracht en de Weteringschans.  
De ros moutmolen voor brouwerij het Roodhart (1825) 
De directeur van de bierbrouwerij het Roodhart te Amsterdam, J.G. Schilt, had zich tot het Binnenlandsch Bestuur in Den Haag gewend om toestemming te krijgen in de brouwerij een ros moutmolen te installeren. Tegen de feitelijke installatie binnen de bestaande brouwerij was blijkbaar geen bezwaar, maar men wilde wel nader advies over de controle op het malen. Deze controle werd uitgeoefend door een rijksambtenaar. Op 7 mei 1825 werd het rekest van Schilt in handen gesteld van de provincie met het verzoek hierover van advies te dienen. Vanuit Haarlem werd een verzoek gericht aan het gemeentebestuur van Amsterdam, dat op 25 mei 1825 antwoord zond. Men zag geen bezwaar om aan het Roodhart te verlenen wat reeds aan anderen was verleend, want “dat bereids in meerdere Brouwerijen binnen deze Stad rosmolens aanwezig zijn”. Dat had aan “de peil & visitatiën welke door de Rijks Ambtenaren op deze Fabrieken word uitgeoeffend” geen schade opgeleverd. In de vergadering van 26 mei sloten Gedeputeerde Staten zich bij dit advies aan. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3208 en 3209 (26 mei 1825, nr. 32). 

De brouwerij Baangracht / Korte Leidsedwarsstraat (1826) 
Op 17 juli 1826 richtte John Binns zich tot Gedeputeerde Staten van Noord-Holland met het verzoek de concessie van Jacques le Clerc over te mogen nemen voor de exploitatie van diens brouwerij aan de Baangracht en de Korte Leidsedwarsstraat; hij gaf aan van plan te zijn hier “met het brouwen van Engelsche bieren een aanvang te maken”. Het verzoek werd in handen gesteld van het Amsterdamse gemeentebestuur om nader advies. Deze riepen voor 11 augustus de buren op om hun eventuele bezwaren kenbaar te maken. Het ging om de heer Lacheij aan de Baangracht, de heren P. Geijkema en N. van Coudom, en de heer M. Brouwer aan de Korte Leidsedwarsstraat. Alleen Brouwer kwam opdagen, de anderen lieten verstek gaan. Men had nog een tijdje gewacht, maar toen zeker was dat Brouwer de enige was, had men een en ander onderzocht. Het bleek dat Binns het bedrijf op de oude voet wilde voortzetten, zonder het te vergroten. Buurman Brouwer had daartegen geen enkel bezwaar. In hun advies van 17 augustus werd door burgemeester en wethouders weliswaar gezegd dat het onmogelijk was gebleken de mening van de andere buren te horen, maar dat zij meenden dat gezien het voornemen van de heer Binns om het bedrijf alleen voort te zetten en niet uit te breiden, er geen bezwaar was om de toestemming aan hem te verlenen.
In hun vergadering van 23 augustus 1826 besloten Gedeputeerde Staten de toestemming inderdaad te verlenen. Wel met enige tegenzin, omdat er eigenlijk geen voldoende autorisatie was. Immers, drie van de vier buren waren niet gehoord. Maar vermoedelijk zal men in dit geval maar uitgegaan zijn van het aloude “wie zwijgt, stemt toe”. Omdat het hier ging om “de voortzetting eener reeds geconcessioneerde fabriek” werd de toestemming verleend; in dit geval spreekt de onderstreping boekdelen. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3247 en 3248 (23 augustus 1826, nr. 5). 

De brouwerij van Beckman, de Veer & Comp. (1846) 
In 1846 werd door de firma Beckman, de Veer & Comp. aan de Kerkstraat 36, bij de Utrechtsestraat, aan de Gouverneur van Noord-Holland een verzoekschrift gestuurd waaruit blijkt dat zij een bedrijf wilden stichten ter “bereiding van twee Vreemde Biersoorten”. Zij hadden daarvoor een geschikt pand op het oog aan de Baangracht 75, bij de Weteringstraat. Conform de geldende regels werd aan het Amsterdamse gemeentebestuur gevraagd een onderzoek te doen. Op 27 januari 1846 werd een proces verbaal gemaakt van het verhoor van de buren; dat waren J. van Smirren, de weduwe Vrij van Aldenhoven, Hijneman, van Essen, ten Brink en Ankum. Behalve Ankum waren allen gekomen, en unaniem verklaarden zij zich tegen de vestiging in verband met het mogelijke brandgevaar, omdat het beoogde pand dicht bij een turf en houtaffaire gelegen was. Van Essen meende bovendien dat hij benadeeld zou worden in zijn schildersaffaire. Een brief van burgemeester en wethouders aan de Gouverneur gaf nog een nadere toelichting. Aan de bezwaren werd niet zo zwaar getild, omdat het hier niet ging om een gewone bierbrouwerij, maar een bedrijf dat op andere grondslagen rustte. In de brief werden suggesties gedaan voor het verlenen van de toestemming.
Gedeputeerde Staten vergaderden over dit verzoek op 12 februari 1846, en besloten conform het advies van het Amsterdamse gemeentebestuur de toestemming voor de oprichting te verlenen, en dit mee te delen aan burgemeester en wethouders met het verzoek het op hun beurt weer aan de verzoekers mee te delen. Er werden wel voorwaarden gesteld voor de inrichting van het gebouw. Allereerst moesten de te plaatsen fornuizen op een geheide fundering geplaatst worden, die tenminste 15 cm vrij van de muur en houtwerken zou moeten staan; uit de brief van burgemeester en wethouders wordt duidelijk dat op deze fornuizen twee ketels geplaatst zouen worden, elk met een inhoud van 500 kan. De tweede eis was dat de schoorsteen minstens twee meter boven de nok van het dak moest worden opgemetseld. De derde eis was dat de kachel tot verwarming van het perceel op een stenen vloer geplaatst zou worden. De vierde en laatste eis was dat in alle gevallen de stedelijke brandkeur gevolgd moest worden, en dat een en ander onder toezicht zou moeten staan van de stads rooimeesters. 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 3948 (12 februari 1846, nr. 39).

dinsdag 23 augustus 2011

Jonkheer Bicker wil een moutmolen...

Zo geformuleerd lijkt het misschien de wens van een verwend jongetje. Nu zal Bicker zich als telg uit een oud Amsterdams regentengeslacht ongetwijfeld zeer bewust zijn geweest van zijn persoon. Maar de wens om een moutmolen te bezitten zal eerder voortgekomen zijn uit zakelijk inzicht. De moutmolen was namelijk bestemd voor zijn bierbrouwerij en azijnmakerij onder Nieuwer-Amstel. Het zijn ongetwijfeld de bedrijven die in de staat van fabrieken en trafieken van 1816 vermeld worden als een kunst azijnmakerij en een bierbrouwerij onder Nieuwer-Amstel. Van beide bedrijven werd vermeld dat ze 12 werklieden in dienst hadden, 24 man dus. Was dit mogelijk een verdubbeling en werkten de werklieden allemaal in hetzelfde bedrijf? In welk geval het zou gaan om 12 werklieden. De staat geeft daarover geen duidelijkheid. Wel dat zowel de azijnmakerij als de bierbrouwerij vroeger “bloeiende” waren, maar sedert de Franse tijd leidden ze een wat kwijnend bestaan. Azijn werd binnenlands geleverd, maar ook naar de Oost- en West-Indische koloniën verzonden, het bier alleen binnenlands. De combinatie van de fabricage van azijn en bier doet vermoeden dat aanvankelijk bierazijn werd geproduceerd; in de staat is sprake van kunst azijn. Bij gebrek aan informatie blijft dat vooralsnog onduidelijk. Duidelijk is dat Bicker in 1827 ten dienste van zijn bierbrouwerij een moutmolen wilde stichten.  
Zoals gezegd diende Bicker in 1827 in Den Haag een verzoekschrift in om ten behoeve van zijn bierbrouwerij aan de Overtoomseweg te Nieuwer-Amstel een moutmolen op te richten. De aanvraag was noodzakelijk om twee redenen. Voor het stichten van een molen was Koninklijke goedkeuring vereist, terwijl van elke fabriek of trafiek die opgericht, uitgebreid of overgenomen werd een onderzoek onder de buren moest plaats vinden om te zien of er gegronde bezwaren tegen het bedrijf ingebracht konden worden. Aanvankelijk leverde het verzoek van Bicker enig misverstand op, want de burgemeester van Nieuwer-Amstel kreeg het verzoek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland om van advies te dienen. Maar informatie leerde dat de moutmolen niet in die gemeente, maar in de mouterij van Bicker op het Amsterdamse Roeterseiland moest worden gesticht. Het gemeentebestuur van Nieuwer-Amstel was dan ook niet bevoegd, wat bij brief van 20 juli 1827 aan de provincie werd meegedeeld. Vervolgens was met enige vertraging het Amsterdamse gemeentebestuur aan de beurt om te adviseren.
Op 9 augustus 1827 was de commissaris over de publieke werken van die gemeente naar het Roeterseiland gegaan, om de situatie met eigen ogen te bekijken en de verzoeker en de buren te spreken. Plaatselijk bleek dat het pakhuis van Bicker waarin de mouterij was gevestigd aan de ene kant met een gemeenschappelijke muur belend werd door het Israëlitisch Ziekenhuis, en aan de andere kant door het pakhuis ‘de Druif’ van Jhr. W. van Loon. Voor het ziekenhuis was regent J.T. Philips gekomen, namens Van Loon diens gemachtigde de heer Gijzelaar. De laatste kon niet veel zeggen, alleen dat hij een en ander met zijn principaal zou bespreken, en dat naar aanleiding daarvan bericht zou volgen. Philips had de nodige bedenkingen. Hij vreesde overlast voor de zieken, omdat beide panden een gemeenschappelijke muur hadden, wat door de beweging van de molen overlast zou kunnen bezorgen. Tevens vreesde hij voor geluidsoverlast, en hoe nadelig dat voor de zieken zou zijn. Bicker nodigde hem daarop uit om op bezoek te gaan in zijn loodwitmolen, waar ook een rosmolen werkzaam was. Dat werd tussen de heren zo afgesproken. Vervolgens had de commissaris veel moeite moeten doen om van beide buren antwoord te krijgen. De verklaring van geen bezwaar van buurman Van Loon was na veel zeuren pas binnengekomen nadat het proces verbaal was opgemaakt. De regenten van het ziekenhuis hadden pas na lang aandringen laten weten tegen de komst van de molen te zijn, omdat die door het voortdurende geraas en de beweging zeer nadelig zou zijn voor de genezing van de zieken, en deze mogelijk zelfs zou verhinderen. Bicker vond de bezwaren ongegrond. Hij had de regenten immers laten zien hoe een en ander in de loodwitmolen werkte, en daar werkte men met drie paar molenstenen, en hier was het slechts de bedoeling om met een paar te werken, het geraas zou dus wel meevallen. Ook vond hij de bewering dat de beweging schadelijk zou zijn ongegrond. De gebouwen stonden immers niet met elkaar in verbinding? Het zou dus allemaal wel meevallen.
Eind augustus stuurde het gemeentebestuur het proces verbaal naar Gedeputeerde Staten, vergezeld van een uitgebreide brief. Daarin spraken zij nog even hun eigen zorg uit over de komst van de molen op zich. Een en ander moest natuurlijk wel voldoen aan de stedelijke regels over het maalrecht, en het moet zeker zijn dat de molen alleen voor mout zal worden gebruikt en niet voor bakgraan of rogge. Verder gingen ze alleen in op de plaatsing van de molen, waarbij ze tussen de regels door wel hun ergernis uitspraken dat een en ander zo lang had moeten duren, maar dat dit niet aan hen had gelegen, maar aan de trage reactie van de regenten van het Israëlitisch Ziekenhuis en Jhr. Van Loon, terwijl de heer Bicker altijd alle medewerking gaf. Men vond het initiatief van Bicker zeker toe te juichen, omdat het de nijverheid in de stad zou stimuleren, een zaak die ook de Koning aan het hart lag. Het verdiende dus zeker steun, maar aan de andere kant moesten de verpleegden in het ziekenhuis ook niet gehinderd worden bij hun genezing. Aan Bicker was gevraagd welk type molen hij wenste en waar hij deze wilde plaatsen. Daar was hij nog niet uit, eventueel een met de hand te bedienen; deze zou geplaatst worden op de eerste verdieping van de tweede zolder van het pakhuis. Een door paardenkracht aangedreven molen –een rosmolen– zou geplaatst worden in een van de loodsen op het terrein achter het pakhuis. De plaatsing van de met de hand te bedienen molen zou volgens de gemeente problemen opleveren. Want de regenten waren van plan om twee turfschuren naast het ziekenhuis op te metselen en deze in gebruik te nemen als ziekenzalen (zie de onderstaande plattegrond, E). In dat geval zou het pakhuis aan twee zijden worden ingesloten door het ziekenhuis, precies op de plaats waar de molen gepland was. De gemeenteraad adviseerde dan ook dit af te wijzen, maar plaatsing van een rosmolen in de verst van het ziekenhuis verwijderde loods toe te staan. De handmolen zou gesteld worden in het pand dat op de plattegrond aangegeven is met A, terwijl het gemeentebestuur geen bezwaar had tegen plaatsing van de rosmolen in de loods aangeduid met B 2. Voor geluidsoverlast op die afstand was men niet bang, want dat speelde ook geen rol bij de vele gruttersmolens die in de stad actief waren.
 
Gedeputeerden vergaderden over de zaak op 6 september 1827. Ook zij stelden dat zij stimulering van de nijverheid van harte wilden steunen, en dat zij goed beseften dat ook het gemeentebestuur van Amsterdam en de Koning dezelfde mening hadden, want een en ander zou het welvaren van het Rijk bevorderen. Maar toch vonden zij ook dat men moest bedenken dat niet “het belang van veelen aan het bijzonder belang van eenen enkelden word opgeofferd, vooral dan niet, wanneer het het welzijn van liefdadige instellingen en van algemeen nut geldt”; die zijn immers juist aangewezen op de bescherming van de regering. De vraag werd daarom gesteld of het zo was dat het Israëlitisch Ziekenhuis een zodanige last van de moutmolen zou hebben dat dit de genezing van de patiënten zou hinderen of zelfs onmogelijk zou maken. Als dat het geval zou zijn, dan zou het de regenten onmogelijk zijn om het ziekenhuis uit te breiden; het verzoek van Bicker zou dan niet kunnen worden toegestaan, omdat het belang van velen dan zou worden opgeofferd aan het geldelijk gewin van een enkele persoon. Door de andere partij werd aangevoerd dat het geraas van een paar stenen zo gering zou zijn dat dit niet tot merkbare overlast zou leiden. Gedeputeerde Staten vond in beide gevallen dat men te veel uit ging van veronderstellingen, de regenten van het “vermoedelijke geraas”, terwijl men de bewering van Bicker “even gewaagd” beoordeelde. Omdat er een zo grote onduidelijkheid heerste, was het advies van Gedeputeerde Staten dat aan het Amsterdamse stadsbestuur zal worden gelast de zaak ook nog voor te leggen aan de stedelijke geneeskundige commissie. 
Uit het verloop van de zaak blijkt dat Den Haag dat inderdaad gelast had, want op 17 januari 1828 werd meegedeeld dat ondanks een verzoekschrift van het Armbestuur van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge om het verzoek van de heer Bicker tot plaatsing van een moutmolen op het Roeterseiland af te wijzen, de Koning had besloten dit toe te staan, onder de voorwaarden die al door het gemeentebestuur waren geadviseerd: een rosmolen, te plaatsen in de loods op de plattegrond aangeduid met B 2. De plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt had een aan dat van het gemeentebestuur gelijkluidend advies uitgebracht. Aan Gedeputeerde Staten werd verzocht een en ander aan het Amsterdamse gemeentebestuur mee te delen, met het verzoek aan het Armbestuur mee te delen dat hun verzoekschrift was afgewezen. Daarmee was de moutmolen nog geen feit, want op 20 februari 1828 werd nog het Koninklijk Besluit genomen waarbij formeel aan Jhr. P.H. Bicker toestemming werd verleend om een moutmolen te stichten op het Roeterseiland. Wel onder de voorwaarde dat de molen alleen gebruikt zou worden ten dienste van de brouwerij, en dat de toestemming in geval van geconstateerde fraude zou worden ingetrokken. Het besluit werd overigens pas op 28 februari vanuit Den Haag naar Haarlem gezonden, te laat voor de vergadering van Gedeputeerde Staten. Die vergaderden dan ook eerst op 6 maart over deze zaak, en besloten toen een brief aan het gemeentebestuur te zenden, met het verzoek een en ander verder met de heer Bicker af te handelen. Het blijkt, ook in het geval van moutmolens werd ambtelijk langzaam gemalen… 
Bronnen:
Provinciaal bestuur van Noord-Holland 1814-1850, inv.nr. 2959 (21 november 1816, nr. 16), 3280 en 3282 (6 september 1827, nr.1), 3292 en 3294 (24 januari 1828, nr. 10), 3298 en 3300 (6 maart 1828, nr. 8).

maandag 22 augustus 2011

De Haarlemse brouwerij van de Bootshaken (1617-1664)

Het zal lang duren voor alle Haarlemse brouwerijen beschreven zijn. Als het ooit al mogelijk zal zijn daartoe te komen. Van tijd tot tijd zal ik wat van mijn verzamelde aantekeningen over diverse bedrijven –zowel Haarlemse als uit andere plaatsen– hier publiceren. Dat zal zeker niet betekenen dat zodra ik een verhaaltje publiceer dit het laatste woord over de betreffende brouwerij is. Daarvoor moeten nog teveel bronnen doorgenomen worden. Deze keer de brouwerij van de Bootshaken, ook wel de Drie Bootshaken, en soms zelfs wel de Twee Bootshaken genoemd.

Deze brouwerij heeft aan de oostkant van het Spaarne gelegen, aan het zuidelijke gedeelte van de huidige Houtmarkt. Er staat daar nog steeds een pand waarin een gevelsteen met drie bootshaken te vinden is. Het is niet waarschijnlijk dat dit ook de locatie van de brouwerij is; nader onderzoek zal dat nog uit moeten wijzen. Helaas is de steen ooit met een zeer donkere verf behandeld, waardoor hij niet meer sprekend is. Ooit werd gesproken over de Vergulde Bootshaken; wellicht kan samen met de eigenaar bekeken worden of de steen opnieuw geschilderd kan worden.
In het eerste kwart van de zeventiende eeuw werd de Bootshaken geëxploiteerd door Hans Vlamingh, en na diens dood rond 1623 door zijn weduwe Trijntje Mulraets. De overname door een weduwe was beslist niet ongewoon. Soms waren de kinderen te jong om op te volgen, en het was dan in ieders voordeel de boedel intact te laten en het bedrijf gewoon voort te zetten. Bovendien zullen de echtgenotes van de brouwers vaak een actieve rol in het bedrijf hebben gespeeld, zeker als de echtgenoot betrokken was bij het stads- en landsbestuur. Bij diens afwezigheid moest er toezicht zijn, maar ook moest met eventuele klanten gesproken worden. Overigens was Hans Vlamingh geen lid van het Haarlemse stadsbestuur.
Trijntje Mulraets komt in de registratie van de Haarlemse brouwerijen voor het laatst voor in 1642, en in dat jaar zal de brouwerij verder geëxploiteerd zijn door Lodewijk van Bergum, die slechts een paar jaar als brouwer voor komt. In 1645 verkocht hij de brouwerij en mouterij aan Sebastiaen de Braij van Craenhals. Uit de omschrijving een huis, brouwerij en mouterij met erf, genaamd “de Drije Bootshaecken”, met daarbij nog een tweede huis met een leeg erf. Naast de gereedschappen was ook sprake van de verkoop van een waterschip en een legger; onmisbaar om het heldere duinwater vanuit Overveen naar de brouwerij in Haarlem te transporteren. Het totale bedrag waarop de brouwerij werd gewaardeerd op 25.000 gulden, een niet onaanzienlijk bedrag. Uit de akte blijkt dat Trijntje Mulraets een vordering in de vorm van een hypotheek had ter grootte van 6.000 gulden, die door de koper werd overgenomen. Deze moest dus nog een bedrag van 19.000 gulden op tafel leggen. Dat ging hem niet goed af, want al snel kwam hij in de problemen.

Vanaf 1647 komt de naam van Sebastiaen de Braij van Craenhals overigens niet meer voor als brouwer in de Bootshaken, maar in plaats van hem Simon de Braij. De familierelatie is (nog) niet duidelijk. Eigenaar was Simon niet. Dat blijkt uit de verkoopakte uit 1653, toen op basis van een vonnis van schepenen van Haarlem de brouwerij ten laste van Sebastiaen werd verkocht aan Hendrick Vladeraecken en Jean de la Fontaine Phlipsz, beiden wonende te Amsterdam. Eisers waren de kinderen van Hans Vlamingh en Trijntje Mulraets, namelijk Hans Vlamingh, koopman te Amsterdam, Susanna Vlamingh, weduwe van Lodewijk van Bergum, Daniel de Stoppelaar, als man van Sara Vlamings, en Hester Vlamings, weduwe van Gerrit Westendorp. De verkoopprijs bij executie was 10.400 gulden, dus aanzienlijk lager dan in 1645! En dat terwijl er belangrijke wijzigingen hadden plaats gevonden. Naast het huis, de brouwerij en de mouterij met gereedschappen en vaten, werd namelijk ook een nieuw gebouwd huis met een bierhuis daarachter verkocht. Een bierhuis was het pakhuis waarin de vaten bier geborgen werden voor ze naar de afnemers getransporteerd werden. Misschien had de verbouwing De Braij te veel geld gekost en was hij daarom in de problemen gekomen.

De kopers werden geen brouwer in de Drie Bootshaken, ze kochten het complex blijkbaar als belegging, want Jan Minne werd als brouwer geregistreerd. Vanaf 1658 komt Andries Patijn in de plaats van Jan Minne als brouwer voor, maar hij was toen nog geen eigenaar. Dat werd hij pas in 1659. Inmiddels waren Hendrick Vladeraecken en Jean de la Fontaine ook eigenaar geworden van andere panden in dezelfde omgeving. En op die manier komen we te weten dat het pand waarin de gevelsteen op dit moment te zien is waarschijnlijk niet het pand van de brouwerij is. In 1658 verkochten zij namelijk aan Willem Thomasz cuijper het huis waar de “Drie Vergulde Bodtshaecken” in de gevel staan. En dat huis was aan de westzijde belend door het huis waar Jan Cornelisz Cool is overleden. En passant horen we ook de naam van dat huis, het heette op dat moment “de Vriesse Boterman”. In hetzelfde jaar verkochten ze ook dat pand, en wel aan een groep mensen waartoe onder meer Daniel Patijn behoorde. Aan de oostkant was de Vriesse Boterman belend door het huis “de Drie Vergulde Bootshaken”, en aan de westkant door de brouwerij van de Bootshaken. In 1659 verkochten Vladeraecken en De la Fontaine de brouwerij aan de eerder genoemde Andries Patijn. En daar blijkt weer dat de oostzijde het huis is waar Jan Cornelisz Cool gestorven is, nu eigendom van Daniel Patijn. Aan de westzijde is de brouwerij belend door Cornelis Andriesz Patijn. Het rijtje wordt dus min of meer een familie aangelegenheid.

De locatie waar Cornelis Andriesz Patijn als belending werd aangegeven was overigens voor deze familie historische grond. Oorspronkelijk vestigde deze familie zich vanuit Vlaanderen in Haarlem, en oefenden daar het bedrijf van brandewijnstoker uit. Een –inmiddels uitgestorven– tak van deze familie ging zich bezig houden met de brouwnijverheid. Overigens in geen van de gevallen erg succesvol. Dat ook de Bootshaken een brouwerij op zijn retour was blijkt wel uit de prijs waarvoor Patijn deze in handen kreeg: 7300 gulden. Als we dat vergelijken met de verkoop uit 1645, toen bracht hetzelfde bedrijf nog 25.000 gulden op. Andries Patijn kwam in 1664 voor het laatst als brouwer in de Bootshaken voor, na dat jaar was de brouwerij stilgelegd. In 1666 verkocht hij de brouwerij aan Matthijs van der Meulen en diens zoon Pieter, voor een bedrag van 3955 gulden, en de mouterij aan Jacob Croon voor een som van 2445 gulden. In geen van beide panden is daarna nog een brouwerij gevestigd geweest.

Achteruitgang van de brouwnijverheid

Veel is geschreven over de grote achteruitgang van de Haarlemse brouwnijverheid sinds de zeventiende eeuw. Die mag inderdaad catastrofaal te noemen zijn. Tijdens de laatste bloeitijd, in de zeventiende eeuw, werkten tussen de vijftig en zestig brouwerijen om aan de vraag naar bier te voldoen. In 1811 was daar nog slechts een brouwerij van overgebleven: het Scheepje aan de Houtmarkt. Maar Haarlem was daarin beslist niet uniek. Ook andere steden in Noord-Holland kenden deze grote achteruitgang. Amsterdam was daarop een uitzondering, er was weliswaar sprake van achteruitgang, maar die was minder groot dan elders. De oorzaak daarvoor zal gezocht moeten worden in de productie van bier voor de schepen van de V.O.C., die vaten bier op reis mee namen. Hierna wat cijfers waaruit de grote achteruitgang blijkt, zonder dat op de eventuele oorzaken voor de achteruitgang wordt ingegaan. Ik beperk me daarbij overigens voornamelijk tot gegevens uit steden boven het IJ. 
De situatie tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Bataafse Republiek
In Holland was het niet toegestaan om brouwerijen buiten de steden te exploiteren. Onderzoek naar de brouwnijverheid wordt daarom iets eenvoudiger, je hoeft namelijk slechts de archieven van de steden te onderzoeken. Op dat ‘slechts’ valt natuurlijk wel wat af te dingen. Het bronnenmateriaal is niet overal even goed bewaard en vaak slecht toegankelijk. In dit stadium van mijn onderzoek beschik ik als vergelijkingsmateriaal voor de situatie in Haarlem alleen voor de steden van Noord-Holland boven het IJ over enkele cijfers, over het algemeen gebaseerd op onderzoek van anderen. Vergelijkbare getallen voor de stad Haarlem zijn in een tabel opgenomen die bij de conclusie wordt weergegeven.
Voor een aantal steden geeft Van der Woude in zijn studie over het Noorderkwartier cijfers van het aantal brouwerijen dat werkzaam was.[i] Belangrijk als bron waren de verpondingkohieren van 1630. Hij tekende aan dat in Alkmaar op dat moment 9 brouwerijen werkzaam waren, in Edam geen, in Purmerend 2 à 3, en in Monnickendam 3; in totaal in deze vier steden dus 14 tot 15 brouwerijen. Nu zijn deze kohieren geen absoluut betrouwbare bron. Ze zijn bedoeld om de verponding te kunnen heffen, een belasting op gebouwen. En lang niet in alle gevallen is het gebruik van een pand aangetekend. Er kan dus sprake geweest zijn van meer brouwerijen dan die in de kohieren vermeld zijn. Zo kan op basis van wat diverse auteurs over Edam gemeld hebben aangenomen worden dat ook in die stad brouwerijen actief waren. Voor de zeventiende eeuw kennen we er 3, de Os, de Aker en de Roskam.[ii] Enkhuizen was van de steden boven het IJ de grootste bierproducent. Het kohier van de verponding van 1630 geeft een aantal van 15 brouwerijen.[iii] Dit grote aantal zal wellicht te verklaren zijn door levering aan zowel schepen van de V.O.C. als aan de vissersvloot van de stad. In tegenstelling tot Enkhuizen schijnt de brouwnijverheid in Hoorn veel minder belangrijk zijn geweest. Toch telde deze stad in de zeventiende eeuw ook een viertal brouwerijen.[iv] Van Medemblik kennen we ook het aantal brouwerijen in 1630, het waren er 5.[v] Het onzekere getal betreffende de stad Purmerend kan op basis van de studie van Jack Otsen worden bijgesteld, het bedroeg 2, de brouwerij de Spaad en de Leli. De derde brouwerij werd vermoedelijk tussen 1630 en 1644 opgericht en was de Dubbele Arent genaamd.[vi]
In 1730-1731 werd het kohier van de verponding herzien. De nieuwe kohieren van 1731 laten een heel ander beeld zien. Van der Woude geeft zonder onderverdeling voor de door hem behandelde steden (Alkmaar, Edam, Monnickendam en Purmerend) een totaal van 10 brouwerijen. Vergeleken met de kohieren van 1631 een afname van een derde. Bekijken we de laatste door Van der Woude gegeven cijfers, een opgave uit 1801, dan blijkt dat in de vier genoemde steden nog slechts sprake is van 2 brouwerijen; er kan dus gesteld worden dat de achteruitgang ook in het Noorderkwartier groot te noemen is. Een bron die Van der Woude niet gebruikte was het kohier van de personele quotisatie van 1744.[vii] Voor zijn doel was die bron niet geschikt, omdat er vrijwel alleen kohieren van de Hollandse steden zijn, en zijn onderzoek strekte zich ook over het platteland uit. Omdat de brouwnijverheid zich formeel beperkte tot de steden zijn ze voor dit onderzoek wel van belang. Welke cijfers leveren de kohieren van de steden boven het IJ voor 1744 op? In Alkmaar worden 2 brouwerijen genoemd, de brouwerij van J. Ursem in het 3e kwartier, en ’t Fortuin van J. de Gooijer in het 4e kwartier. In dat kwartier woonde ook nog J. Otter, meesterknecht van de brouwerij van ’t Swaart; of dat de brouwerij van Ursem is blijft onduidelijk. Edam had ook 2 brouwerijen, de Os van Huijbert Beets, en de Aker van Pieter Brommer. Voor Enkhuizen wordt 1 brouwerij genoemd, die door de boekhouder G. Kant gevoerd werd. Medemblik had 3 brouwerijen, van C. van Pomeren, van Geertje de Zee, en van Philips ten Cate. In Monnickendam is 1 brouwer werkzaam, Jacob Cool. En tenslotte in Purmerend is eveneens 1 brouwerij actief, in bezit van Geertje Coek, weduwe van P. Pet. Hoewel van Hoorn geen cijfers bekend zijn weten we uit het artikel van Femke Uiterwijk dat er in 1744 vermoedelijk nog 3 bedrijven actief waren. Het jaar 1744 levert dus het aantal van 13 brouwerijen op. Omdat Van der Woude drie van de hier genoemde steden niet in zijn telling meenam, vergelijken we ook nog de aantallen van zijn vier steden, en dan zien we voor 1744 een aantal van 6; dat zou inhouden dat er sinds 1731 een afname met 4 brouwerijen had plaats gevonden. 
De situatie in de eerste jaren van het Koninkrijk der Nederlanden (jaar 1816)
Hierover worden we geïnformeerd door de staat van fabrieken trafieken die in dat jaar door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aan de hand van gegevens ingestuurd door de gemeentebesturen werd samengesteld.[viii] Uit de lijst blijkt dat in zes gemeenten in Noord-Holland bierbrouwerijen waren gevestigd. Alkmaar, Amsterdam, Haarlem, Hoorn, Medemblik en Nieuwer-Amstel (het huidige Amstelveen). In totaal 12 bedrijven. Nieuwer-Amstel is als plattelands gemeente een nieuweling, want zoals gezegd was het in de tijd van de Republiek niet toegestaan buiten de Hollandse steden te brouwen. De andere gemeenten kenden voor 1795 allemaal een meer of minder bloeiende brouwnijverheid. Per gemeente zijn de aantallen als volgt: Alkmaar (1), Amsterdam (7), Haarlem (1), Hoorn (1), Medemblik (1), en Nieuwer-Amstel (1).
Uit het overzicht blijkt dat de situatie van de Noord-Hollandse brouwnijverheid niet erg florissant gevonden werd. In Haarlem, Hoorn, Medemblik en Nieuwer-Amstel was de toestand “zeer kwijnende”, in Amsterdam “thans niet voordelig” (wat slechts iets positiever klinkt); alleen van Alkmaar werd opgegeven dat het bedrijf thans “zeer bloeiende” was. Daar valt overigens nog wel iets op af te dingen. De Alkmaarse brouwerij moet een kleinschalig bedrijf zijn geweest, dat in de westelijke helft van Noord-Holland boven het IJ bijna een monopoliepositie kan hebben ingenomen. Bij gebrek aan cijfers over afzet en gegevens over het afzetgebied is dat overigens giswerk. Immers, de gegevens die de lijst noemt over het afzetgebied zijn wel heel globaal: alle brouwerijen leverden binnenlands (zonder dat gespecificeerd wordt naar welk gedeelte), alleen van Amsterdam wordt gemeld dat ook leveren naar de koloniën in Oost- en West-Indië plaats vond.
Dat de Alkmaarse brouwerij een kleinschalig bedrijf moet zijn geweest blijkt uit het aantal werkzame werklieden. In dit bedrijf werken 4 werklieden. Hoorn is wat aantal betreft vergelijkbaar met de wat curieuze opgave van 3 à 4, en Medemblik is wel heel marginaal met slechts 1 werkman. Nieuwer-Amstel gaf op dat bij de daar werkzame brouwerij 12 werklieden in dienst waren, terwijl het Scheepje in Haarlem 14 werklieden in dienst had. Hoeveel werklieden de individuele brouwerijen in Amsterdam hadden blijft onduidelijk, de 7 bedrijven hadden samen 130 werklieden in dienst. Dit geeft aan dat in elk geval sommige bedrijven in Amsterdam een grotere omvang moeten hebben gehad dan die in Haarlem en Nieuwer-Amstel. Het salarispeil was vrijwel overal gelijk, en kwam op zes gulden per week, al lag het in Haarlem iets hoger met zes gulden tien stuivers, en in Amsterdam iets lager met vijf gulden tien stuivers. Omdat het hier een gemiddeld salaris betrof zal het voor volwassen werklieden niet veel van elkaar afgeweken hebben. 
Een voorzichtige conclusie
In onderstaande tabel worden de aantallen werkende brouwerijen in Noord-Holland boven het IJ vergeleken met de aantallen voor Haarlem uit dezelfde steekjaren; gekozen is voor de jaren 1630, 1744 en 1816, omdat de jaren 1731 en 1801 bij Van der Woude niet over alle steden cijfers geven. 

1630
1744
1816
Alkmaar
9
2
1
Edam
3
2
-
Enkhuizen
15
1
-
Hoorn
4
3
1
Medemblik
5
3
1
Monnickendam
3
1
-
Purmerend
2
1
-
Totaal boven het IJ
41
13
3
Haarlem
48
10
1
De tabel leert ons dat in Haarlem in 1630 meer brouwerijen actief waren dan in alle steden in Holland boven het IJ gezamenlijk. Het geeft een indruk van de stevige positie die Haarlem in die tijd nog op de markt had. Overigens bereikte Haarlem in de jaren 1651-1656 de top met 56 actieve brouwerijen, welk getal daarna in een steeds sneller tempo kleiner werd. In de tweede kolom zien we dat het aantal van Haarlem in het jaar 1744 al onder het totaal aantal voor de steden boven het IJ teruggevallen was. Daar moet echter wel bij worden aangetekend dat de teruggang in bedrijven in Haarlem niet altijd een evenredige teruggang in de productie betekende, de kleinere bedrijven sloten het eerst, waarbij een deel van de productie soms door de anderen werd overgenomen. Het maakt dat het cijfer van absolute aantallen bedrijven wat versluierend werkt. Alleen een onderzoek naar de jaarlijkse productie van de bedrijven boven het IJ in vergelijking tot Haarlem zou daarover een eerlijk cijfer kunnen geven. 
Aan de hand van deze –zoals gezegd overigens zeer globale– aantallen kunnen we stellen dat de brouwnijverheid niet alleen in Haarlem sinds de zeventiende eeuw gevoelige klappen had gekregen, maar dat zich dat in vrijwel de gehele provincie Noord-Holland had voorgedaan. Zonder de exacte cijfers voor Amsterdam uit de tijd voor 1795 te kennen, mogen we aannemen dat ook die stad niet aan de teruggang ontkomen is, want 7 brouwerijen voor een stad van die omvang lijkt aan de lage kant; dat zullen er in het verleden ook meer zijn geweest. Maar zoals gezegd, door de nog steeds drukke haven had een aantal bedrijven zich daar waarschijnlijk beter kunnen handhaven dan in de rest van de provincie. Ook in een havenstad als Rotterdam heeft zich een dergelijke ontwikkeling afgespeeld, waardoor deze stad de traditionele brouwersstad Delft in productie voorbij streefde.[ix]


[i] A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier, (Wageningen 1972), pagina 331, 333 en 338.
[ii] P. Costerus Wz, De geschiedenis der stad Edam, (manuscript, aanwezig bij het Noord-Hollands Archief), p. 14 en 84; C. Boschma-Aarnoudse, Tot verbeteringe van de neeringe deser Stede. Edam en de Zeevang in de late Middeleeuwen en de 16de eeuw, (Hilversum 2003), p. 335-337; Ben Speet, Edam. Duizend jaar geschiedenis van een stad, (Zwolle 2007), p. 85-86.
[iii] P.J. de Vries, Bier en bierbrouwerijen in Enkhuizen, in: Steevast 1988, p. 5-23.
[iv] Femke Uiterwijk, Over bierbrouwerijen in Hoorn, in: Oud-Hoorn, 5e jrg (1983), p. 67-70.
[v] Peter Swart, Wij willen Haarlemmer bier! Bier, bierhandelaren en bierbrouwerijen in Medemblik, in: Jaaruitgave 2007-2008 Oudheidkundige Vereniging “Medenblick”, p. 13-27.
[vi] Jack Otsen, Bierbrouwerijen in Purmerend. Twee eeuwen biernering (1600-1800), (1990).
[vii] Noord-Hollands Archief, collectie kopieën A, inv.nr. 696, 700, 701, 704-706.
[viii] Provinciaal Bestuur 1814-1850, inv.nr. 2959 (21 november 1816, nr. 16)
[ix] Arie van der Schoor, Stad in aanwas. Geschiedenis van Rotterdam tot 1813, (Zwolle 1999), p. 225-226.

zaterdag 6 augustus 2011

1824: een nieuwe brouwerij in Alkmaar?

Een nieuwe, aangevulde versie van dit verhaal is geplaatst op 25 augustus 2011. Vandaar dat de tekst van deze blog is verwijderd.

vrijdag 5 augustus 2011

Haarlems bier wordt: Bier!historisch

Na een afwezigheid van een aantal maanden ben ik weer terug. Maar wel onder een andere naam. Zoals de kop al zegt: Haarlems bier wordt: Bier!historisch...

Bier is een internationale drank. Daar valt niet over te twisten. Nederlands bier is bekend over de gehele wereld. Zeg 'Heineken' en er komt een blik van herkenning. Ook geschiedenis is iets zonder grenzen, tot uit de Verenigde Staten krijg ik wel eens vragen over de geschiedenis van het Haarlemse bier. Bovendien werd Haarlems bier geëxporteerd in het verleden. Men dronk het in Vlaanderen, Zwolle, Friesland, Zeeland. En Haarlemmers dronken ook in de zestiende en zeventiende eeuw met genoegen bier uit England en Duitsland. De grens van het onderzoek naar de geschiedenis van het bier houdt dus niet op bij de Haarlemse gemeentegrens. Daarom een nieuwe naam. Die geeft me ook de mogelijkheid om over andere brouwerijen dan alleen de Haarlemse te schrijven.